ECLI:NL:PHR:2012:BX7464
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtigingsvereiste voor bewindvoerder om in rechte op te treden
In deze zaak verzocht een bewindvoerder, mr. Libotte, om machtiging om namens een rechthebbende een bestuursrechtelijke beroepsprocedure te starten. De kantonrechter wees dit verzoek af wegens het ontbreken van voldoende gronden. Het gerechtshof bekrachtigde deze beslissing, stellende dat onvoldoende gegevens aanwezig waren om de kans van slagen van het beroep in te schatten en dat het om een relatief gering bedrag ging.
Mr. Libotte stelde in cassatie diverse klachten over het beleid van de rechtbank Maastricht dat een machtiging altijd vereist zou zijn, de beoordeling van het machtigingsverzoek door de kantonrechter na het verstrijken van de beroepstermijn, en de uitleg van art. 1:443 BW Pro. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet voldoen aan de vereisten van precisie en onderbouwing en dat het hof het beleid van de rechtbank niet hoefde te beoordelen omdat dit de omvang van het hoger beroep overstijgt.
Voorts benadrukte de Hoge Raad dat art. 1:443 BW Pro de bewindvoerder niet verplicht een machtiging te vragen om te procederen, maar dat het verkrijgen van een machtiging zekerheid biedt tegen aansprakelijkheid. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het ontbreken van een machtiging niet automatisch betekent dat de bewindvoerder niet bevoegd is om namens de rechthebbende op te treden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de bewindvoerder is niet verplicht een machtiging te vragen om in rechte op te treden.