ECLI:NL:PHR:2012:BX7493

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02910
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 287 lid 1 FwArt. 299 lid 1 aanhef en sub a FwArt. 299 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling bij betwisting van schulden

De zaak betreft een verzoeker tot cassatie die na een faillissementsaanvraag een verzoek deed om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoeker te goeder trouw was met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van een aanzienlijke belastingschuld.

Het hof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis en stelde dat het bestaan van de schulden als uitgangspunt moest worden genomen bij de beoordeling van het verzoek tot toelating, omdat de toelating immers werd verzocht met het oog op de sanering van die schulden. Verzoeker kwam vervolgens in cassatie tegen dit oordeel.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Hij stelde dat artikel 299 lid 1 onderdeel Pro a Fw bepaalt dat de schuldsaneringsregeling alleen werkt ten aanzien van schulden die ten tijde van de uitspraak bestaan, maar dat dit niet betekent dat bij de beoordeling van het verzoek tot toelating al moet worden vastgesteld of de schulden daadwerkelijk bestaan. De procedure is een spoedprocedure waarbij de rechter uitgaat van de door de schuldenaar opgevoerde schulden. De vaststelling van het bestaan en de omvang van schulden vindt plaats in een latere verificatieprocedure.

Hierdoor was het oordeel van het hof, dat het bestaan van de schulden als uitgangspunt diende bij de beoordeling van het verzoek, niet onjuist. De overige klachten van verzoeker bouwden voort op dit standpunt en faalden eveneens. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Conclusie

Zaaknummer: 12/02910
mr. Wuisman
Parketdatum: 24 augustus 2012 (WSNP)
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. dr. J.H. van Gelderen
1. Voorgeschiedenis
1.1 Nadat het faillissement van verzoeker tot cassatie was aangevraagd, heeft hij zich tot de rechtbank Amsterdam gewend met het verzoek om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Bij vonnis van 3 april 2012 wijst de rechtbank het verzoek af na overwogen te hebben dat ten aanzien van een aanzienlijke belastingschuld niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker tot cassatie voor wat het ontstaan of laten voortbestaan van deze schuld te goeder trouw in de zin van artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro is geweest.
1.2 Van het vonnis van de rechtbank is verzoeker tot cassatie in appel gegaan bij het Hof Amsterdam. In het appelschrift wordt melding gemaakt van vorderingen van ABN AMRO Bank, de belastingdienst en een leverancier, maar telkens onder de aantekening dat ter zake van die vorderingen procedures lopen. Omtrent de vordering van de belastingdienst wordt opgemerkt dat al duidelijk is dat de belastingdienst de aansprakelijkstelling ten aanzien van een zeer aanzienlijk deel van de vordering niet met succes kan handhaven. Na nog opgemerkt te hebben dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de omvang van de belastingschuld, concludeert verzoeker tot cassatie dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat niet aannemelijk is geworden dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de belastingschuld te goeder trouw is geweest.
Naar aanleiding van het beroepschrift laat ABN AMRO Bank, de aanvrager van het faillissement, in een brief van 17 april 2012 aan het hof weten dat er sprake is van twee vorderingen van de bank op verzoeker tot cassatie en dat een daarvan ter grootte van € 552.426,28 niet wordt betwist.
1.3 Na de behandeling van het beroep op een zitting van 22 mei 2012 spreekt het hof op 4 juni 2012 zijn arrest uit. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Daartoe overweegt het hof in rov. 2.3.2, na de constatering dat het betoog van verzoeker tot cassatie in hoofdzaak is gegrond op de stelling dat de schulden niet bestaan, onder meer: "Voor het antwoord op de vraag of [verzoeker tot cassatie] tot de schuldsaneringsregeling moet worden toegelaten, zal het hof echter het bestaan van die schulden tot uitgangspunt moeten nemen, omdat de toelating kennelijk is verzocht met het oog op (de sanering van) die schulden."
1.4 Met een op 12 juni 2012 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is verzoeker tot cassatie - tijdig - van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Het verzoekschrift bevat één middel van cassatie.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 In onderdeel (i) wordt het oordeel van het hof in de hierboven geciteerde rechtsoverweging bestreden. Gesteld wordt: "Dit oordeel is onjuist, aangezien ingevolge artikel 299 lid 1 onderdeel Pro a Fw de schuldsaneringsregeling alleen kan werken ten aanzien van schulden die daadwerkelijk bestaan, ergo de beoordeling van een verzoek tot toelating daartoe niet gebaseerd kan worden op schulden waarvan het bestaan als zodanig slechts als uitgangspunt dient en dus niet vaststaat. Dat geldt ook als de toelating is verzocht met het oog op (de sanering van) die schulden, want ook dat doel kan alleen aan de orde komen als de schulden inderdaad bestaan. Het hof heeft dus ten onrechte nagelaten om vast te stellen of dat het geval is."
2.2 De klacht in onderdeel (i) faalt.
2.2.1 Weliswaar is in artikel 299 lid Pro 1, aanhef en sub a, Fw bepaald dat de schuldsaneringsregeling werkt ten aanzien van vorderingen die ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan, maar die bepaling brengt niet mee dat het verzoek tot toelating tot die regeling alleen kan worden beoordeeld met betrekking tot schulden waarvan is vastgesteld dat zij bestaan. Artikel 299 Fw Pro staat in de tweede afdeling van de wettelijke regeling van de schuldsaneringsregeling, welke afdeling is gewijd aan de 'gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling'. De betekenis van de bepaling in artikel 299 lid Pro 1, aanhef en sub a, Fw is hierin gelegen dat zij aangeeft dat schulden, die ontstaan nà de uitspraak inzake het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, niet onder de toegelaten regeling vallen en dus niet vallen onder het vereffeningregime van de regeling en ook niet onder de 'schone lei', indien deze wordt verkregen.((1)) Verder laten de aard en opzet de procedure inzake de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet toe dat al bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient te worden vastgesteld dat de schulden, met het oog waarop de toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt verzocht, ook werkelijk bestaan. Deze procedure is een spoedprocedure; zoals in artikel 287 lid 1 Fw Pro bepaald, zal de rechtbank nl. met de meeste spoed uitspraak op het verzoek doen. Dit karakter van de procedure laat geen ruimte voor het vaststellen van het bestaan van schulden. De rechter zal bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van het verzoek moeten uitgaan van de schulden die de schuldenaar zelf in verband met zijn verzoek opvoert. De vaststelling van het bestaan en/of de omvang van een vordering is een aangelegenheid waarvan de beoordeling voor zoveel nodig plaatsvindt in het kader van de voorgeschreven verificatie van vorderingen; zie de artikelen 299 lid 2 jo. 328 Fw.
2.2.2 Het hof heeft - in cassatie op zichzelf niet bestreden - vastgesteld, dat verzoeker tot cassatie om toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht met het oog op de schulden, waarvan hij stelt dat hij het bestaan ervan betwist.((2)) Dit laatste, zo volgt uit het bovenstaande, belette het hof niet om bedoelde schulden toch bij de beoordeling van het verzoek van verzoeker tot cassatie tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in aanmerking te nemen. Het daarmee overeenstemmende oordeel van het hof wordt derhalve tevergeefs bestreden.
2.3 De klachten in de onderdelen (ii) t/m (iv) bouwen steeds op enige wijze voort op het in onderdeel (i) verdedigde standpunt. Nu dat standpunt geen opgeld doet, ontberen de onderdelen (ii) t/m (iv) een deugdelijk fundament en kunnen zij evenmin doel treffen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1. Zie over artikel 299 lid Pro 1, aanhef en sub a, Fw B. Wessels, Insolventierecht, IX, 2009, nrs. 9122 - 9125.
2. Voor de goede orde zij nog opgemerkt dat een betwisting van het bestaan van een schuld nog niet meebrengt dat de betrokken schuld als niet bestaand moet worden beschouwd. Dat niet bestaan vormt nog een open punt.