ECLI:NL:PHR:2012:BX9022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling optierecht Nederlandse nationaliteit volgens art. 6 lid 4 Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname
In deze zaak staat centraal of verzoeker op grond van art. 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (TOS) tussen Nederland en Suriname de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verzoeker, geboren in Suriname en van wie de ouders de Nederlandse nationaliteit verloren door optie voor de Surinaamse nationaliteit, stelde dat hij tussen januari en maart 1989 meerdere keren bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo had geprobeerd te opteren voor de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank wees het verzoek af omdat op het moment van de optie het woonplaatsvereiste gold: de nationaliteit waarvoor werd geopteerd moest die zijn van het land waar men woonde. Aangezien verzoeker in 1989 in Suriname woonde, kon hij niet voor de Nederlandse nationaliteit opteren. Verzoeker stelde in cassatie dat dit woonplaatsvereiste niet geldt, verwijzend naar eerdere rechtspraak.
De Hoge Raad bevestigde dat het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS Pro geldt voor buiten Suriname geboren minderjarigen, tenzij zij of hun ouders buiten Suriname als Nederlander zijn geboren, wat hier niet het geval was. Ook werd gewezen op het feit dat het protocol dat het woonplaatsvereiste schrapt, geen terugwerkende kracht heeft. Het beroep van verzoeker werd verworpen en de beschikking van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker op verkrijging van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 6 lid 4 TOS wordt verworpen vanwege het woonplaatsvereiste.