ECLI:NL:PHR:2012:BY1258
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid naheffingsaanslag bpm vóór betaling en registratie personenauto
Deze zaak betreft de vraag of een inspecteur een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) kan opleggen voordat de aangegeven belasting op aangifte is voldaan en voordat de registratie van de auto is afgerond. De Rechtbank Breda oordeelde dat het opleggen van de naheffingsaanslag rechtvaardig was, terwijl het Hof 's-Hertogenbosch dit oordeel vernietigde en stelde dat de inspecteur niet eerder dan na registratie naheffing kan toepassen.
De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag dat hoger was dan de aangegeven bpm, terwijl de betaling nog niet had plaatsgevonden en de registratie nog niet was voltooid. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet in stand kan blijven omdat de wettelijke systematiek van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vereist dat naheffing pas kan plaatsvinden nadat de aangifte- en betalingstermijn zijn verstreken en het belastbare feit, hier de registratie, heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad benadrukt dat de Wet bpm haar eigen regels kent voor heffing, maar voor naheffing volgt de Awr. De registratie van het kenteken, inclusief tenaamstelling en dagtekening, is het moment waarop de bpm materieel verschuldigd wordt. Het opleggen van een naheffingsaanslag vóór dit moment is niet toegestaan. De procedurekostenveroordeling van het Hof wordt eveneens bevestigd, waarbij geen bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld die een hogere vergoeding rechtvaardigen.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot ongegrondverklaring van zowel het cassatieberoep van de Staatssecretaris als dat van belanghebbende, waarmee de naheffingsaanslag wordt vernietigd en de procedurekostenvergoeding forfaitair wordt vastgesteld.
Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm is onrechtmatig opgelegd vóór betaling en registratie en wordt vernietigd.