ECLI:NL:PHR:2012:BY2239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken bevoegdheid advocaat
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem dat een vonnis van de rechtbank bevestigde waarin de toegang tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.
Het cassatieberoep werd ingediend door mr. J.R.A. Röschlau, die niet de bevoegdheid had om als advocaat in cassatie op te treden omdat zijn naam niet op het tableau van cassatieadvocaten stond. De griffie van de Hoge Raad gaf hem de mogelijkheid om dit te herstellen door een verzoekschrift te laten ondertekenen door een bevoegde advocaat, maar deze gelegenheid werd niet benut.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 426a lid 1 Rv en de regelgeving omtrent de bevoegdheid van advocaten in cassatieprocedures. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een bevoegde ondertekening.