ECLI:NL:PHR:2012:BY3556

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04004 B
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 525.1 SvArt. 526.1 SvArt. 60 ROArt. 44 ROArt. 58 RO
Verwijzingen
22 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid hof Leeuwarden in hoger beroep tegen vonnis kantonrechter Leeuwarden bij militaire snelheidsovertreding

Verdachte werd door de kantonrechter te Leeuwarden veroordeeld voor een snelheidsovertreding terwijl hij militair was. Hij stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het Hof Leeuwarden verklaarde zich onbevoegd omdat het oordeelde dat de militaire kantonrechter te Arnhem bevoegd was. De militaire kamer van het Hof Arnhem verklaarde zich vervolgens ook onbevoegd omdat het vonnis van de kantonrechter Leeuwarden afkomstig was.

Hierdoor ontstond een negatief jurisdictiegeschil tussen de hoven. De Advocaat-Generaal verzocht de Hoge Raad om een regeling van rechtsgebied. De Hoge Raad overwoog dat het hoger beroep niet was ingesteld tegen een vonnis van de militaire kamer, maar tegen een vonnis van de kantonrechter Leeuwarden. Op grond van art. 60 RO Pro is het Hof Leeuwarden bevoegd.

De Hoge Raad verklaarde daarom het Hof Leeuwarden bevoegd tot kennisneming van het hoger beroep. De Hoge Raad gaf tevens aan dat het hof na vernietiging van het vonnis de zaak niet zelf kan afdoen, maar moet terugverwijzen naar de kantonrechter Leeuwarden, die zich vervolgens onbevoegd zal verklaren waarna de zaak bij de militaire kantonrechter te Arnhem kan worden aangebracht. Dit is de procedurele weg die gevolgd moet worden.

Uitkomst: Het Hof Leeuwarden is bevoegd tot kennisneming van het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden.

Conclusie

Nr. 11/04004 B
Mr. Machielse
Zitting 23 oktober 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De kantonrechter te Leeuwarden heeft verdachte op 20 augustus 2009 voor een snelheidsovertreding veroordeeld tot een geldboete van 430 euro en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden. Tevens heeft de kantonrechter de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid van vier maanden gelast.
2. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
3.1. Ter terechtzitting van het Gerechtshof Leeuwarden van 11 februari 2011 heeft verdachte aangevoerd dat hij ten tijde van de overtreding militair was en nog steeds is. Daarop heeft het hof overwogen dat de militaire kantonrechter te Arnhem bevoegd was om de snelheidsovertreding te berechten en niet de kantonrechter te Leeuwarden. Vervolgens heeft het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en de zaak naar de militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem verwezen.
De militaire kamer van het gerechtshof te Arnhem heeft zich op 10 november 2011 onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen nu het vonnis waarvan beroep is gewezen door de commune kantonrechter te Leeuwarden.
De Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof Arnhem heeft op de voet van art. 526 Sv Pro de Hoge Raad verzocht te beslissen in het jurisdictiegeschil. Het betreft een geschil als bedoeld in art. 77, aanhef en onder b, RO.
3.2. De Wet militaire strafrechtspraak (Wms)(1) bepaalt in art. 2, lid 1 onder 1, dat de bevoegdheid tot kennisneming in eerste aanleg van overtredingen begaan door militairen berust bij de kantonrechter. Het eerste lid van art. 3 van Pro deze wet verklaart het kantongerecht te Arnhem bij uitsluiting bevoegd tot de uitoefening van de in art. 2 omschreven Pro rechtsmacht (militaire kantonrechter). Het tweede lid van art. 3 voorziet Pro in de vorming van meervoudige en enkelvoudige militaire kamers bij de Rechtbank Arnhem. Artikel 7 van Pro deze wet luidt, voorzover hier van belang:
"1.Tegen vonnissen van de militaire kantonrechter kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 44, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie hoger beroep worden ingesteld."
Artikel 8 bepaalt Pro in zijn eerste lid dat het hoger beroep tegen een vonnis van de militaire kantonrechter wordt behandeld door de militaire kamer bij de Rechtbank Arnhem, genoemd in art. 3. In zijn tweede lid voorziet art. 8 in Pro de instelling van een militaire kamer bij het Hof Arnhem, die belast is met de behandeling van de appellen tegen de vonnissen van de militaire kamer van de Rechtbank Arnhem.
3.3. Art. 49 RO Pro luidt aldus:
"Het bestuur van de rechtbank te Arnhem vormt binnen de sector kanton een enkelvoudige kamer voor het behandelen en beslissen van militaire kantonzaken en bepaalt de bezetting daarvan. Degene die zitting heeft in deze kamer draagt de titel van militaire kantonrechter."
Art. 55 RO Pro heeft, voor zover relevant, de volgende inhoud:
"1. Het bestuur van de rechtbank te Arnhem vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wms, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van militaire kamers."
Volgens het eerste lid van art. 60 RO Pro oordelen de gerechtshoven in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, beschikkingen en uitspraken in strafzaken van de rechtbanken in hun ressort.
Art. 68 lid 1 RO Pro heeft de volgende inhoud:
"Het bestuur van het gerechtshof te Arnhem vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de militaire kamer van de rechtbank te Arnhem vonnis is gewezen een meervoudige kamer onder de benaming van militaire kamer. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer."
Het tweede lid van art. 44 RO Pro waarnaar art. 7, lid 1 Wms verwijst, had betrekking op de kantonrechters, en luidde tot 1 januari 2002 aldus:
"2. Tegen hun vonnissen staat hoger beroep open voor de officier van justitie en de verdachte, tenzij in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van honderd gulden."
Per 1 januari 2002 is art. 44 RO Pro echter vervallen.(2) Per 1 januari 2005 is een nieuw art. 44 RO Pro in werking getreden(3) dat bepaalt dat de rechtbanken in eerste aanleg kennisnemen van de belastingzaken waarvan de kennisneming bij de wet aan hen is opgedragen.
Artikel 58 RO Pro wees tot 1 januari 2002 de rechtbank aan als appelrechter voor de daarvoor vatbare vonnissen door de kantonrechters in strafzaken in eerste aanleg gewezen. Art. 58 RO Pro is per 1 januari 2002 gewijzigd en wijst sindsdien aan uit welke leden met rechtspraak belast het gerechtshof bestaat.
3.4. Duidelijk is dat de Wms nu nog verwijst naar bepalingen van de Wet RO die met ingang van 1 januari 2002 grondig zijn gewijzigd. Appel tegen een vonnis van de militaire kantonrechter moet volgens de Wms nog worden behandeld door de militaire kamer van de Rechtbank Arnhem. Het kantongerecht als aparte laag in de rechtspraak is echter verdwenen. De kantonrechter maakt sinds 1 januari 2002 deel uit van de sector kanton van de rechtbank. Het hoger beroep in overtredingszaken, waarin de kantonrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld, is sindsdien een zaak voor het hof. Zie art. 58 RO Pro jo. art. 404 lid 2 Sv Pro.
De militaire kamer van het hof te Arnhem heeft in 2003 de knoop doorgehakt en zich, in weerwil van de verouderde inhoud van de bepalingen in de Wms, bevoegd geacht als appelrechter in militaire overtredingszaken.(4)
3.5. De Wms is thans op verschillende onderdelen nog niet aangepast aan wijzigingen in de Wet RO. Maar eindelijk hebben de bewindslieden van Veiligheid en Justitie resp. van Defensie een voorstel ingediend dat aanpassingen beoogt van de Wms. Het voorstel(5) houdt onder meer in dat art. 2 van Pro de Wms aldus wordt gewijzigd:
"Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid komen het eerste en tweede lid te luiden:
1. Onverminderd de artikelen 10 en 17 en behoudens de uitzonderingen bij de wet gemaakt, berust de bevoegdheid tot kennisneming in eerste aanleg van strafbare feiten, begaan door militairen en door hen die ten aanzien van zodanige feiten bij of krachtens de wet met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld, bij de rechtbank te Arnhem.
2. Zaken betreffende strafbare feiten als bedoeld in artikel 382 van Pro het Wetboek van Strafvordering worden behandeld en beslist door de militaire kantonrechter, bedoeld in artikel 49 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De overige zaken worden behandeld en beslist door de militaire kamers, bedoeld in artikel 55 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie."
Ook art. 3 van Pro die wet wordt gewijzigd, welke wijziging voor de onderhavige zaak niet erg relevant is. Artikel 7 vervalt Pro omdat art. 404 Sv Pro de competentie in hoger beroep ook voor de militaire rechter regelt.(6) Art. 8 Wms Pro krijgt een nieuwe inhoud:
"1. Het gerechtshof te Arnhem is bevoegd tot het oordeel in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen van de militaire kamers van de rechtbank te Arnhem. Het hoger beroep wordt behandeld en beslist door de militaire kamer van het gerechtshof, bedoeld in artikel 68 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
2. (...) "
3.6. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft zich onbevoegd verklaard. Het hof heeft geoordeeld dat in eerste aanleg niet de kantonrechter te Leeuwarden bevoegd was, maar de militaire kantonrechter te Arnhem. De militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem zou daarom bevoegd zijn om in hoger beroep te beslissen. Verdachte heeft ter terechtzitting van het Hof Leeuwarden verklaard dat hij een behandeling van het appel door de militaire kamer van het Hof Arnhem wenste.
3.7. Ingeval van een negatief jurisdictiegeschil zoals hier is ontstaan doordat twee gerechtshoven zich onbevoegd hebben verklaard, wordt de Hoge Raad geroepen een regeling van rechtsgebied te geven. Hij zal de bevoegde rechter moeten aanwijzen, welke niet noodzakelijk een van de rechters moet zijn die zich onbevoegd hebben verklaard. Artikel 525 e.v. Sv voorzien niet in de mogelijkheid dat de rechter die het jurisdictiegeschil moet beslissen een beslissing van een andere, derde rechter vernietigt. In de onderhavige zaak komt het er mijns inziens mitsdien op neer welk van beide hoven bevoegd was het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden te vernietigen. Omdat het niet ging om een hoger beroep van een militaire rechter was de militaire kamer van het hof te Arnhem niet bevoegd.
3.8. Maar wat zal het vervolg moeten zijn op een vernietiging door het hof te Leeuwarden van het vonnis van de kantonrechter? Kan het hof dan de zaak zelf afdoen? Artikel 422a Sv kent een voorziening in die trant, maar enkel indien de appelrechter tot de conclusie komt dat de dagvaarding in eerste aanleg anders dan wegens een aan de telastlegging zélf klevend gebrek nietig had behoren te worden verklaard en mits geen terugwijzing naar de rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte wordt verlangd. Bij de totstandkoming van art. 422a Sv heeft de Minister immers betoogd dat aan prorogatie in andere gevallen geen behoefte bestond:
"Mijn voorstel strekt zich niet uit tot die zaken, waarbij de rechter ten onrechte een andere in artikel 349, eerste lid, genoemde einduitspraak niet heeft gedaan. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de behoefte aan de mogelijkheid tot prorogatie zich in de praktijk uitsluitend voordoet in geval van extern nietige inleidende dagvaardingen." (7)
Hiermee lijkt het uitgesloten dat het Hof Leeuwarden, na vernietiging van het vonnis wegens onbevoegdheid van de kantonrechter, de zaak - zeker tegen de zin van verdachte - aan zich houdt. Het hof dient dus het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de kantonrechter te Leeuwarden, die op zijn beurt zich onbevoegd zal moeten verklaren waarna de zaak zal kunnen worden aangebracht bij de militaire kantonrechter in de Rechtbank Arnhem. Het is wat omslachtig dat de Hoge Raad de zaak eerst weer in handen zal moeten stellen van het Leeuwardense hof om uiteindelijk te kunnen bewerkstelligen wat had moeten geschieden, maar omdat de regeling in de artikelen 525 e.v. Sv het de Hoge Raad niet toestaat eigenhandig het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en de zaak naar de militaire kantonrechter te verwijzen lijkt mij dit de koninklijke weg.
3.9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het Gerechtshof Leeuwarden bevoegd verklaart te beslissen op het tegen het vonnis van de Kantonrechter Leeuwarden van 20 augustus 2009 ingestelde hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Wet van 14 juni 1990, Stb. 1990, 370.
2 Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 582.
3 Stb. 2004, 692.
4 Hof Arnhem 10 september 2003, MRT 2004, p. 341.
5 Kamerstukken II 2012/13, 33429 (R 1988), nr. 2.
6 Kamerstukken II 2012/13, 33429 (R 1988), nr. 3, p. 4.
7 Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 20.