ECLI:NL:PHR:2012:BY3905
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verplichting inspecteur tot overlegging op de zaak betrekking hebbende stukken en woonplaatsbelasting
Belanghebbende, lid van de raad van toezicht van een woningstichting, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag wegens andere inkomsten uit arbeid in 2000, gebaseerd op onroerendgoedtransacties.
De Rechtbank en het Hof stelden vast dat belanghebbende in Nederland woonde en dat de voordelen uit transacties feitelijk door hem werden genoten, ondanks dat bedragen via een Antilliaanse N.V. liepen. Het Hof achtte aannemelijk dat de inspecteur alle stukken die een rol speelden bij besluitvorming had overgelegd, maar niet alle achterliggende stukken, zoals agenda's van zakenpartners. Belanghebbende stelde dat deze stukken relevant waren en niet waren overgelegd.
De Hoge Raad overweegt dat de verplichting tot overlegging van stukken ruim moet worden opgevat: alle stukken die relevant kunnen zijn voor de zaak moeten worden overgelegd, ook als ze niet direct bij het besluit zijn gebruikt. Indien stukken ontbreken, moet de rechter de gevolgen daarvan beoordelen. Verder bevestigt de Hoge Raad dat belanghebbende in 2000 woonde in Nederland en dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Het bewijsaanbod van belanghebbende werd terecht gepasseerd omdat het geen ander oordeel zou opleveren.
De zaak benadrukt het belang van volledige en tijdige overlegging van stukken door de inspecteur en de criteria voor woonplaatsbepaling in belastingzaken, inclusief de toepassing van verdragsregels en de beoordeling van duurzaam tehuis.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere behandeling.