Art. 17 OwArt. 54l lid 1 OwArt. 52 lid 2 OwArt. 52 lid 3 OwArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid onteigening ondanks beroep op zelfrealisatie en onderhandelingsplicht
In deze zaak gaat het om de vervroegde onteigening van een perceel in het kader van het bestemmingsplan 'Leidsche Rijn Park' door de gemeente Utrecht. Eisers betwistten de onteigening en de hoogte van de schadeloosstelling en voerden onder meer aan dat de gemeente niet aan de onderhandelingsplicht van artikel 17 OnteigeningswetPro had voldaan en dat zij zelf bereid en in staat waren het bestemmingsplan te realiseren (zelfrealisatie).
De rechtbank had de vervroegde onteigening ten algemenen nutte uitgesproken en een voorschot op schadeloosstelling vastgesteld. Het beroep op niet-serieuze onderhandelingen werd verworpen omdat de gemeente een finaal bod had gedaan en eerdere pogingen tot minnelijke verwerving waren aangetoond. Ook het beroep op zelfrealisatie werd afgewezen omdat dit niet tijdig en concreet genoeg was ingebracht in de bestuursprocedure voorafgaand aan het onteigeningsgeding.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de rechter bij het toetsen van de onderhandelingsplicht mede mag afgaan op de periode voorafgaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit. Tevens wijst de Hoge Raad erop dat de onteigeningsrechter niet zelfstandig de noodzaak van onteigening mag toetsen aan nieuwe feiten die na het onteigeningsbesluit zijn ontstaan. De klachten over de interpretatie van het bestemmingsplan en de concrete bestemming van het perceel worden eveneens verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vervroegde onteigening blijft in stand.
Conclusie
Zaaknr. 11/03531
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 5 oktober 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. [Eiser 1]
2. [Eiseres 2]
tegen
Gemeente Utrecht
In deze onteigeningszaak wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat geen grond bestaat om te oordelen dat de Kroon niet in redelijkheid tot het besluit tot onteigening van het perceelsgedeelte van eisers tot cassatie heeft kunnen komen. Betwist wordt dat de noodzaak tot onteigening bestond, omdat niet voldaan is aan het vereiste van minnelijk overleg van art. 17 OnteigeningswetPro, de bestemming reeds was gerealiseerd en het beroep op zelfrealisatie ten onrechte is afgewezen.
1. Feiten(1) en procesverloop(2)
1.1 Bij Koninklijk Besluit van 14 mei 2009 nummer 09.001295, gepubliceerd in de Staatscourant van 9 juni 2009, nr. 103, is goedgevonden en verstaan, dat ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan 'Leidsche Rijn Park', ten algemenen nutte en ten name van de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente) ingevolge artikel 77 vanPro Titel IV van de Onteigeningswet (hierna: Ow) zullen worden onteigend de bij dat besluit aangewezen perceelsgedeelten, zoals nader aangeduid op de grondtekening, die ingevolge artikel 80 OwPro ter inzage hebben gelegen.
1.2 Tot de bij dat besluit aangewezen en te onteigenen percelen, behoort het perceel met grondplannummer [001], kadastraal bekend gemeente Vleuten(3) sectie [A], nr. [002], ter grootte van 01.09.45 hectare met een te onteigenen grootte van 00.61.09 hectare.
1.3 Blijkens het Koninklijk Besluit zijn eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s. (m/ev), aangewezen als eigenaar van de te onteigenen onroerende zaak.
1.4 Van het bestaan van gerechtigden in de zin van artikel 3 enPro 4 Ow is de gemeente Utrecht niet gebleken.
1.5 Blijkens een daarvan opgemaakte akte (2010/179) zijn de bescheiden zoals bedoeld in artikel 89 aanhefPro en onder a Ow ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.
1.6 Bij beschikking van 21 juli 2010 (290261/HA RK 10-280) zijn door de rechtbank Utrecht op verzoek van de gemeente deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. De opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van de perceelsgedeelten waarop de onderhavige onteigening betrekking heeft, als bedoeld in artikel 54a Ow, heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Van de plaatsopneming is een proces-verbaal opgemaakt.
1.7 Blijkens de onder 1.5 genoemde akte zijn de bescheiden als bedoeld in artikel 23 inPro verbinding met 54h Ow tijdig ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.
1.8 Bij inleidende dagvaarding van 9 juli 2010 heeft de gemeente [eiser] c.s. gedagvaard voor de rechtbank Utrecht en gevorderd, kort gezegd, dat de rechtbank op grond van artikel 54f e.v. Ow de vervroegde onteigening ten algemene nutte zal uitspreken van het ter onteigening aangewezen perceelsgedeelte en het bedrag van de schadeloosstelling zal bepalen.
1.9 [Eiser] c.s. heeft zowel de onteigening als de hoogte van de aangeboden schadeloosstelling betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de gemeente in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen, althans - in geval de vervroegde onteigening wordt uitgesproken, tot bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling ter hoogte van 100 % met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.
1.10 Nadat partijen hun zaak op 5 november 2010 hadden bepleit, heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - bij vonnis van 29 juni 2011, uitvoerbaar bij voorraad, de vervroegde onteigening ten algemenen nutte uitgesproken en het door de gemeente aan [eiser] c.s. te betalen voorschot bepaald op € 275.000,-. De rechtbank heeft voorts de beslissing inzake de vaststelling van de schadeloosstelling aangehouden.
1.11 Op 6 juli 2011(4) is ter griffie van de rechtbank Utrecht namens [eiser] c.s. verklaard beroep in cassatie in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 29 juni 2011.
Deze verklaring is tijdig(5) bij exploot van 20 juli 2011 ten verzoeke van [eiser] c.s. aan de gemeente betekend, waarbij de gemeente tevens is gedagvaard tegen de zitting van de Hoge Raad van 12 augustus 2011(6).
1.12 De cassatieprocedure is op de rolzitting van 10 februari 2012 van rechtswege geschorst wegens verlies van hoedanigheid van de advocaat van [eiser] c.s. (art. 226 lid 1 RvPro.). Bij exploot van 8 maart 2012 tot hervatting als bedoeld in art. 228 lid 2 RvPro. in verbinding met art. 227 lid 2 RvPro. heeft de gemeente [eiser] c.s. opgeroepen om op 6 april 2012, vertegenwoordigd door een advocaat ter zitting van de Hoge Raad te verschijnen.
De gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht(7), waarna [eiser] c.s. heeft gerepliceerd(8) en de gemeente heeft gedupliceerd.
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1 Het cassatieberoep bevatte zes middelen, waarvan de middelen IV-VI bij schriftelijke toelichting zijn ingetrokken(9). Ik behandel eerst middel III dat van de verste strekking is.
Dit middel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.5.2 en 3.5.3(10), waarin de rechtbank het verweer van [eiser] c.s. dat de gemeente niet kan worden ontvangen in haar vorderingen op de grond dat de gemeente niet heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 17 OwPro, verwerpt.
Het middel klaagt in de kern dat door de gemeente in de periode voorafgaand aan de dagvaarding tot vervroegde onteigening van 9 juli 2010 niet serieus is onderhandeld met [eiser] c.s. ter minnelijke verwerving van het perceel van [eiser] c.s. en dat het oordeel van de rechtbank op gronden berust die dat oordeel niet kunnen dragen.
2.2 Het middel faalt. De rechtbank heeft - in cassatie niet bestreden - in rechtsoverweging 3.5.3 de maatstaf van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1998, LJN ZD2955 (NJ 1999, 24) gehanteerd. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad als volgt:
"3.5. Artikel 17 OwPro schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 OwPro (...) dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (...) en het uitbrengen van de dagvaarding (..). Hierbij verdient opmerking dat tekst, geschiedenis noch voormelde strekking van artikel 17 OwPro zich ertegen verzet dat bij het antwoord op de vraag of de onteigenende partij aan het voorschrift van artikel 17 OwPro heeft voldaan, mede acht wordt geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich voorafgaand aan het definitief worden van het besluit tot onteigening tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar. Immers, uit dat een en ander kan blijken dat hetgeen na het definitief worden van het besluit tot onteigening door de onteigenende partij is ondernomen heeft te gelden als een poging die beantwoordt aan voormelde strekking van artikel 17 OwPro en niet louter als een ingevolge de wet te vervullen formaliteit."
2.3 Dat aan de onderhandelingsplicht van art. 17 OwPro(11) is voldaan, is door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.5.1-3.5.3 feitelijk en niet onbegrijpelijk gebaseerd op de omstandigheid dat tussen partijen vaststaat dat de gemeente bij brief van 6 mei 2010, dus in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit en de inleidende dagvaarding, een finaal aanbod aan in ieder geval [eiseres 2] heeft gedaan en dat [eiser] c.s. niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat dit aanbod niet serieus is te nemen, maar slechts heeft aangevoerd dat onduidelijk is hoe het aanbod in geld is opgebouwd, welk bedrag aan wie van de twee eigenaren toekomt en dat de gemeente ondanks verzoeken daartoe aan haar niet inzichtelijk heeft gemaakt voor welk werk onteigend zal worden en hoe de kaders van de verwerving en de biedingen gesteld zijn.
Bij haar oordeel dat de onderhandelingspoging van de gemeente beantwoordt aan de strekking van art. 17 OwPro en niet heeft te gelden als een louter ingevolge de wet in te vullen formaliteit heeft de rechtbank voorts de vaststelling in het Koninklijk Besluit van 14 mei 2009 in aanmerking genomen dat (i) de gemeente vanaf 2004 telefonisch dan wel schriftelijk heeft getracht de grond van [eiser] c.s. te verwerven en dat (ii) de gemeente op 26 oktober 2007 een bod heeft uitgebracht dat op 19 december 2007 door [eiser] c.s. is verworpen. De conclusie van de rechtbank in rechtsoverweging 3.5.3 dat er geen grond is om aan te nemen dat voormeld bod van de gemeente van dien aard is dat moet worden aangenomen dat de gemeente in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding te werk is gegaan als ware het voorschrift van artikel 17 eenPro vrijwel te verwaarlozen formaliteit, is in het licht van de gedingstukken(12) voldoende gemotiveerd.
2.4 Middel I, dat 24 onderdelen bevat(13), is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.10-3.11.3, waarin de rechtbank de stelling van [eiser] c.s. heeft beoordeeld dat de gemeente niet inzichtelijk heeft gemaakt voor welk werk zijn perceel wordt onteigend.
Het middel klaagt in de onderdelen 1.3, 1.14 en 1.16 dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.10.2 e.v. ten onrechte alleen heeft getoetst aan de plantoelichting, terwijl zij primair had dienen te toetsen aan de planregels en de plankaart. Het middel voert daartoe aan, onder verwijzing naar de toelichting op artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening, dat de plantoelichting weliswaar een verplicht en essentieel onderdeel van het bestemmingsplan betreft doch hiervan juridisch geen deel uitmaakt. De toelichting is, aldus de onderdelen, "slechts" de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan, zodat de planregels en de plankaart daar wel op moeten aansluiten. Het bestemmingsplan kan slechts een rol spelen bij de interpretatie van de planregels.
2.5 De onderdelen missen, wat er zij van de door het middel voorgestane opvatting dat voor het antwoord op de vraag voor welk werk het perceel wordt onteigend de toelichting op het bestemmingsplan geen rol kan spelen(14), feitelijke grondslag. In rechtsoverweging 3.10.3 heeft de rechtbank op basis van de bestemmingsplankaart geconstateerd dat niet in geschil is dat het desbetreffende perceelsgedeelte deels onder de bestemming "GP" valt en deels onder de bestemming "GS". Voorts heeft de rechtbank in diezelfde rechtsoverweging en rechtsoverweging 3.11.2 overwogen dat het perceelsgedeelte met de bestemming "GS" blijkens de bestemmingsplankaart grotendeels(15) binnen de zone ligt die bedoeld is om als "Parkmuur" te worden ingericht. Daarnaast volgt uit (de laatste zin van) rechtsoverweging 3.11.2 en rechtsoverweging 3.11.3 dat de rechtbank met zoveel woorden de planvoorschriften in haar beoordeling heeft betrokken.
2.6 De middelonderdelen 1.8-1.11 en 1.20-1.23 klagen - samengevat - dat het oordeel van de rechtbank dat (de plantoelichting van) het bestemmingsplan voldoende concreet duidelijk maakt welke inrichting de gemeente op de percelen van [eiser] c.s. voorstaat, onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd. Ik betrek bij de bespreking van deze onderdelen tevens de onderdelen 1.5-1.7, 1.12-1.13 en 1.24, waarin naar de kern genomen wordt geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat de bestemming reeds is gerealiseerd, althans dat ten onrechte geen acht is geslagen op het volgens de planregels ook toegelaten gebruik als (privé)tuin, en dat de noodzaak tot onteigening ter uitvoering van het bestemmingsplan derhalve ontbreekt.
2.7 De klachten falen.
Voor zover het middel opkomt tegen het bestemmingsplan als zodanig kan het niet tot cassatie leiden nu de onteigeningsrechter zich dient te onthouden van toetsing van het bestemmingsplan(16).
Met betrekking tot het perceel met bestemming "GP" heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.11.1 geoordeeld dat het bestemmingsplan uitsluitend in openbaar recreatief gebruik voorziet, hetgeen voldoende concreet is om de gestelde noodzaak voor onteigening aan te nemen. De rechtbank baseert dit oordeel op de in rechtsoverweging 3.10.3 geciteerde gedeelten uit de toelichting op het bestemmingsplan. Met betrekking tot het perceelsgedeelte dat de bestemming "GS" heeft, oordeelt de rechtbank in rechtsoverweging 3.11.3 dat voldoende concreet blijkt dat de gemeente op het met deze bestemming aangeduide gebied een openbaar stadspark met bijbehorende voorzieningen heeft willen realiseren. In deze oordelen ligt het oordeel van de rechtbank besloten dat de planregels het gebruik als privétuin niet toelaten.
2.8 Voormelde oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de (ook in rechtsoverweging 3.10.3 gedeeltelijk weergegeven) toelichting op het bestemmingsplan(17). Op p. 33-34 van deze toelichting wordt onder "A. Het Jac. P. Thijsselint" het volgende vermeld:
"Het Jac. P. Thijsselint is een weide van gemiddeld circa 30 meter breed, met aan weerszijden een zoom van circa 15 meter bos. Het Lint omringt het gehele park. De weides zijn grotendeels vrij van obstakels. De bijna 12 kilometer lange route biedt de gebruikers wisselende perspectieven op sportvelden, tuinen, het groene middengebied, waterlopen, de plas en natuurbos. Op het Lint kan worden gespeeld, gesport, gewandeld en van de zon worden genoten. In het midden ligt een verhard pad, de zogenoemde track.
In veel gevallen bevindt de geplande boszone langs de grasweide zich op particulier of uitgeefbaar terrein. Het streven is deze particulieren ertoe te bewegen deze bomenzone te beplanten in samenwerking met de gemeente. Waar dit niet lukt, zal ter plaatse worden bekeken of volstaan wordt met een onderbroken boszone of dat de bomen in de graslandzone van het Lint komen.
Het Lint is een belangrijk structurerend element in het buitenste deel van het Leidsche Rijn Park. Programmatische functies zoals sportvelden, maneges en tuincentra voeren hier de boventoon. Op veel plekken is het Lint het enige gegarandeerde openbare terrein. Het biedt toegang vanuit de omliggende woongebieden en verbindt deze met elkaar en met de diverse voorzieningen in het park. In het lint wordt een verbreding gerealiseerd in de graslandzone."
Uit deze passage uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt - zoals de rechtbank ook in rechtsoverweging 3.12.1 heeft geoordeeld - dat het "Jac.P. Thijsselint" een openbare functie heeft waarmee het niet kan bestaan uit privétuinen.
2.9 Voor zover de klachten zich richten tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de specifieke bestemming "Parkmuur" kunnen zij reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, aangezien de rechtbank in rechtsoverweging 3.11.3 heeft geoordeeld, dat bovendien mogelijk blijft dat de Parkmuur binnen de daarvoor bedachte zone elders - en wel buiten het te onteigenen perceelsgedeelte - wordt aangelegd en dat voor die gevallen geldt dat dit perceelsgedeelte valt onder de algemene bestemming "GS".
2.10 De onderdelen 1.17 en 1.18 klagen dat de rechtbank op grond van de in artikel 4 lid 3 vanPro de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid van B & W niet kon nagaan of inderdaad vaststaat dat de onderliggende bestemmingen overeenkomstig de plankaart zullen worden uitgevoerd en derhalve de noodzaak tot onteigening ter uitvoering van het bestemmingsplan aanwezig is.
2.11 De klacht faalt. Artikel 4 lid 3 vanPro de voorschriften, dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan, geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de doeleinden genoemd in lid 1 en de bouwvoorschriften genoemd in lid 2 te wijzigen ten behoeve van het toelaten van de in artikel 4 lid 3 onderPro a-d genoemde functies en bebouwing onder de aldaar genoemde voorwaarden. Dit laat de noodzaak tot onteigening ter uitvoering van het bestemmingsplan onverlet.
2.12 Middel II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3.12-3.12.4 dat het beroep van [eiser] c.s. op zelfrealisatie geen doel treft en klaagt - samengevat - dat deze oordelen onjuist zijn dan wel onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd.
2.13 Het middel faalt.
Met betrekking tot het tijdstip waarop het beroep op zelfrealisatie in beginsel moet worden gedaan, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 februari 2000, LJN AA4852 (NJ 2000, 418) als volgt overwogen:
"4.2.1. Indien in een onteigeningsgeding het verweer wordt gevoerd dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt op grond van de stelling dat de betrokken partij, al dan niet samen met anderen, bereid en in staat is de beoogde bestemming zelf te realiseren, heeft de rechter slechts de vraag te beantwoorden of de onteigenende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit - dan wel de Kroon bij de goedkeuring daarvan - in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat die bereidheid of mogelijkheid niet bestaat, en dient de rechter bij de beantwoording van die vraag alleen acht te slaan op feiten die in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding tijdig naar voren zijn gebracht.
4.2.2. De wetgever heeft in de Onteigeningswet aan de burgerlijke rechter die zich over de vordering tot onteigening moet uitspreken, immers een nauwkeurig afgebakende taak opgedragen. Tot die taak behoort niet de beoordeling van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en - behoudens hetgeen hierna in 4.2.3 daaromtrent zal worden overwogen - naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen, met name het algemene belang tegenover het door de onteigening te treffen individuele belang van de bij die terreinen belanghebbenden; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur. Met dit wettelijke stelsel is een zelfstandige beoordeling van voormelde vragen door de onteigeningsrechter naar het tijdstip van zijn uitspraak in strijd. Weliswaar brengt het bepaalde in artikel 6 EVRMPro mee dat, voorzover door dit stelsel wordt tekortgedaan aan de in dat verdragsartikel bedoelde waarborgen, de Onteigeningswet buiten toepassing moet blijven, doch artikel 6 dwingtPro niet tot een verdergaande inbreuk op evenbedoeld wettelijk stelsel dan dat de rechter de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht. Voormelde verdragsbepaling dwingt de onteigeningsrechter dan ook niet tot een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening dan wel tot een beoordeling van nieuwe feiten, welke worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door het bestuur verworpen bezwaren, een en ander naar het tijdstip van zijn uitspraak.
4.2.3. Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van zijn uitspraak is wel plaats indien hetgeen de gedaagde aanvoert met betrekking tot de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt (vgl. HR 10-8-1994, nr. 1172, NJ 1996, 35) of omdat tengevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigeningswet (een: onteigening; red.) ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan (vgl. HR 25-5-1988, nr. 1088, NJ 1988, 927)."
2.14 Uit dit arrest volgt dat het beroep op zelfrealisatie(18) in beginsel reeds gedaan moet worden in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding. Uit het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.12.1. laatste zin, 3.12.3. laatste zin en 3.12.4, de zin die begint met "Het beroep op zelfrealisatie" volgt dat [eiser] c.s. naar het oordeel van de rechtbank geen (voldoende concreet) beroep op zelfrealisatie heeft gedaan. In dit oordeel ligt dan logischerwijs ook het oordeel besloten dat [eiser] c.s. in de procedure voorafgaand aan het onteigeningsgeding geen (voldoende concreet) beroep op zelfrealisatie heeft gedaan.
2.15 Volgens het middel heeft [eiser] c.s. al in de administratieve onteigeningsprocedure aangegeven bereid en in staat te zijn het bestemmingsplan (zelf) te realiseren. Het middel voert in dat kader in de onderdelen 2.3 en 2.4 aan dat [eiseres 2] in 2007 al inzicht heeft gevraagd in de gemeentelijke organisatie in verband met het benaderen van de juiste personen ten behoeve van de zelfrealisatie, dat zij zich, naar bij de gemeente bekend was, sinds 2008 zelfs volledig heeft vrijgemaakt voor het "zelfrealisatietraject"(19) en dat de wens tot zelfrealisatie naar voren is gebracht in de bedenkingen aan de Kroon van 15 augustus 2008(20).
Het middel voldoet op dit punt echter niet aan de eisen van art. 407 lid 2 RvPro., aangezien het niet vermeldt waar deze stellingen in de stukken van het geding zijn te vinden en aldus niet verduidelijkt waarom het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.
2.16 Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, dient het cassatieberoep te worden verworpen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 2.1-2.5 van het tussenvonnis van de rechtbank Utrecht van 25 augustus 2010 en rov. 2.2 en 2.3 van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 29 juni 2011.
2 Voor zover in cassatie van belang.
3 In plaats van gemeente Utrecht, zie rov. 3.5.2 van het vonnis van de rechtbank en het kadastraal bericht object dat is overgelegd als productie 3 bij akte overlegging producties van de gemeente van 21 juli 2010.
4 Derhalve binnen de termijn van art. 54l lid 1 in verbinding met de art. 52 ledenPro 2 en 3 Ow.
5 Zie art. 54l lid 1 in verbinding met art. 53 lid 1 OwPro.
6 De gemeente constateert in haar st. (1.3) dat aan haar op 20 juli 2011 zowel een cassatiedagvaarding is betekend door [betrokkene 1] als door [betrokkene 2] en dat deze cassatiedagvaardingen niet geheel gelijkluidend zijn. De gemeente is er niet mee bekend welke dagvaarding bij de Hoge Raad is aangebracht, maar is in haar st. uitgegaan van de door [betrokkene 2] betekende dagvaarding, aangezien deze enkele alinea's meer telt. De bij de Hoge Raad aangebrachte dagvaarding betreft inderdaad de door [betrokkene 2] betekende dagvaarding. Dit wordt bevestigd door de schriftelijke repliek van [eiser] c.s. (nr. 2), waarin wordt vermeld dat alleen deze dagvaarding bij de Hoge Raad is aangebracht.
7 In de dagvaarding is een voorbehoud gemaakt in verband met het ontbreken van het p-v. van het op 5 november 2010 gehouden pleidooi. [eiser] c.s. heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid nieuwe middelen aan te dragen na kennisneming van het p-v. Zie over dit p-v. de st. van [eiser] c.s, nr. 1.7, 2.5 en 9.2.
8 De conclusie van repliek ontbreekt in het B-dossier, terwijl deze op de inventarisstaat wel men pen is opgenomen.
9 Zie s.t. [eiser] c.s. nr. 6-8.
10 Het middel meldt onder 3.1 dat het (onder meer) tevens gericht is tegen rov. 3.5.4. Het middel formuleert echter geen klachten tegen deze rechtsoverweging. Eerst in de st. van eiser wordt onder 5.3. op deze rov. ingegaan. Dit is m.i. te laat. (Zie ook dupliek gemeente onder 5.3.) Bespreking van deze klacht laat ik dan ook achterwege.
11 Zie over art. 17 OwPro E. van der Schans & A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening. Het spel en de knikkers, 2011, p. 20 en 21; J.A.M.A. Sluysmans. J.J. van der Gouw & W.J. Bosma, Onteigeningsrecht in de praktijk, 2011, p. 18; J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel & A.W. van Engen, Onteigening, 2003, p. 40.
12 Zie conclusie van antwoord nr. 36-42, pleitnota [eiser] c.s. p. 10 (vanaf C) - 12.
13 Ik bespreek uitsluitend de onderdelen waarin naar mijn lezing klachten zijn opgenomen en laat de onderdelen die een inleiding, constatering of stelling bevatten onbesproken.
14 Zie de verwijzing van S. Verbist, De onteigening ten algemenen nutte als instrument van de ruimtelijke ordening, 2011, p. 423, noot 1421 naar KB 1 oktober 2010, Stcrt. 2010, nr. 16.723. Zie ook J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, 2003, p. 30: "Het beleid moet kenbaar zijn uit stukken als de toelichting op het bestemmingsplan, beleidsnota's en raadsbesluiten (...)" en J.A.M.A. Sluysmans, J.J. van der Gouw en W.J. Bosma, Onteigeningsrecht in de praktijk, 2011, p. 14: "Afhankelijk van hoe het bestemmingsplan is vormgegeven, kan de onteigenende partij door middel van stedenbouwkundige plannen of masterplannen, planningen en faseringen, beleidsnota's en andere documenten aantonen wat de door hem voorgestane wijze van planuitvoering is."
15 Althans voor een belangrijk deel, zie rov. 3.10.3.
16 Zie E. van der Schans & A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening. Het spel en de knikkers, 2011, p. 53 onder verwijzing naar HR 27 oktober 1999, LJN ZD2980 (NJ 2000, 419).
17 Overgelegd als produktie 4 bij de akte overlegging produkties zijdens gemeente.
18 Zie over het beroep op zelfrealisatie voorts E. van der Schans, Onteigening, zelfrealisatie en de Hoge Raad, BR 2000, p. 377 e.v.; E. van der Schans & A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening. Het spel en de knikkers, 2011, p. 27-32 en p. 53-55.
19 In 2.6 wordt slechts in algemene zin verwezen naar productie 9 bij de conclusie van antwoord.
20 In de st. van [eiser] c.s. nr. 4.1 wordt verwezen naar nrs. 1.7 en 2.14 van de bedenkingen. Ik lees hierin geen concreet beroep op zelfrealisatie. [Eiser] c.s. voert daar in algemene zin aan, dat hij van de mogelijkheid tot zelfrealisatie gebruik kan maken.