ECLI:NL:PHR:2012:BY6887
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over teruggaaf dividendbelasting aan buitenlands beleggingsfonds zonder uitdelingsverplichting
De zaak betreft een in Finland gevestigd open end beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid dat in 2008 dividend ontving van Nederlandse vennootschappen, waarop Nederlandse dividendbelasting werd ingehouden. De belanghebbende verzocht om teruggaaf van deze belasting op grond van het vrije kapitaalverkeer binnen de EU. De Inspecteur weigerde dit, waarna de belanghebbende beroep instelde. De Rechtbank wees het beroep af, maar het Hof stelde de belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat de weigering van teruggaaf een indirecte discriminatie vormde die niet gerechtvaardigd was.
De Staatssecretaris stelde cassatie in en betoogde dat de belanghebbende niet vergelijkbaar is met in Nederland niet aan vennootschapsbelasting onderworpen lichamen, omdat de belanghebbende bij vestiging in Nederland wel aan vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn. Ook de vergelijking met fiscale beleggingsinstellingen (fbi) faalt volgens hem, omdat de belanghebbende niet inhoudingsplichtig is voor Nederlandse dividendbelasting en geen doorstootverplichting heeft zoals een fbi.
De Procureur-Generaal concludeert dat het Hof het begrip vergelijkbaarheid onjuist heeft toegepast door de fiscale kwalificatie in het thuisland van de belanghebbende als beslissend te achten. Nederland is niet verplicht buitenlandse niet-onderworpenheidscriteria te erkennen. De belanghebbende is naar Nederlands recht onderworpen aan vennootschapsbelasting en dus onvergelijkbaar met niet-onderworpen lichamen. Ook de vergelijking met een fbi gaat mank vanwege het ontbreken van een doorstootverplichting en inhoudingsplicht. De conclusie is dat het cassatieberoep gegrond verklaard moet worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van het begrip vergelijkbaarheid.