Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat (i) de door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot de onrechtmatigheid van de ontruiming op grond van art. 552a Sv in de strafzaak jegens de verdachte niet aan de orde kunnen komen, (ii) de hantering van de ontruimingsbevoegdheid los moet worden gezien van de vraag naar het optreden in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, (iii) de hantering van die bevoegdheid tot ontruiming niet als strafvorderlijke bevoegdheid kan worden aangemerkt, en (iv) de hantering van die bevoegdheid los staat van de daaraan voorafgaande verdenking ter zake van art. 138a Sr. Daardoor heeft het hof de verweren die betrekking hebben op de onrechtmatigheid van de ontruiming ten onrechte onbesproken gelaten, aldus de steller van het middel.
LJNBO3682 in een civiele spoedprocedure geoordeeld dat ontruimen op grond van art. 551a Sv in verbinding met art. 138a Sr zonder een voorafgaande rechterlijke toetsing in strijd is met art. 8 EVRM Pro en met art. 13 EVRM Pro, terwijl in het onderhavige geval het pand is ontruimd voordat de krakers in de gelegenheid zijn gesteld om de zaak aan een rechter voor te leggen. Bovendien hadden de krakers een huisrecht, nu het pand is gebruikt om te overnachten, in het pand maaltijden zijn bereid en in het pand persoonlijke bezittingen zijn opgeborgen. Ten slotte gaat de stelling van het openbaar ministerie dat het pand op grond van de toepasselijke beleidsregels (Stcrt. 2 december 2010, nr. 19500) wel ontruimd mocht worden vanwege brandgevaar, niet op. [3]
LJNBJ1254,
NJ2010/213 m.nt. Mevis heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad beslist dat voor strafrechtelijke ontruimingen van kraakpanden door de politie op last van het openbaar ministerie geen basis kan worden gevonden in art. 429sexies (oud) Sr, in art. 2 Politiewet Pro 1993 of in art. 124 RO Pro, zodat zonder nadere formele wetgeving geen rechtsgrondslag bestaat voor zulke ontruimingen, die inbreuk maken op het grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde huisrecht van de kraker. Nadien (eveneens op 1 oktober 2010) is bij de Wet kraken en leegstand art. 551a Sv ingevoerd. Met deze bepaling heeft de wetgever beoogd om de voorheen bestaande praktijk met betrekking tot strafrechtelijke ontruimingen op grond van verdenking van overtreding van art. 138 Sr Pro of art. 429sexies (oud) Sr, die door voornoemd arrest van de Hoge Raad uit 2009 onwettig was geoordeeld, te kunnen continueren door ontruimingen op strafvorderlijke titel van een wettelijke basis te voorzien. [7]
LJNBO3682 [10] heeft het College van procureurs-generaal een beleidsbrief opgesteld over het voorlopig te volgen beleid bij voorgenomen strafrechtelijke ontruimingen. [11] Het hof heeft in dat arrest onder meer geoordeeld dat uit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming van het huisrecht de ontruiming van het kraakpand in beginsel slechts kan plaatsvinden nadat de krakers het oordeel van de voorzieningenrechter in eerste aanleg over de rechtmatigheid van de ontruiming hebben kunnen inroepen, dat het openbaar ministerie wel de uitkomst daarvan moet afwachten maar niet de uitkomst van een eventueel daartegen door de krakers ingesteld hoger beroep behoeft af te wachten, dat voor de effectiviteit van het rechtsmiddel is vereist dat - behoudens bijzondere omstandigheden - de ontruiming op een zodanig tijdstip wordt aangekondigd dat er voldoende gelegenheid is om een kort geding aanhangig te maken, en dat bij gebreke van een regeling ter zake in de Wet kraken en leegstand slechts nauwkeurig omschreven en deugdelijk gepubliceerde beleidsregels van het openbaar ministerie een voldoende waarborg dienaangaande bieden. [12] De beleidsbrief van het College van procureurs-generaal houdt het volgende in:
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verweer dat van “wederrechtelijk” vertoeven geen sprake is geweest en het verweer dat de verdachte zich niet bewust was van het wederrechtelijke karakter van dat vertoeven, heeft verworpen, nu het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “wederrechtelijk” zoals opgenomen in de tenlastelegging. De bewezenverklaring is, voor zover inhoudende dat de verdachte “wederrechtelijk” in het gebouw heeft vertoefd, niet naar de eis der wet met redenen omkleed terwijl het vereiste opzet evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aldus de steller van het middel.
Kamerstukken II2008/09, 31 560, nr. 5) is dit bestanddeel, dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog wel voorkwam, door de initiatiefnemers van de wet immers uitdrukkelijk geschrapt met het doel de reikwijdte van de strafbepaling juist niet in deze zin te beperken.
wederrechtelijkheeft vertoefd. De bewezenverklaring is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.