Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikend gemotiveerde gronden, heeft geoordeeld dat de bevoegdheid tot ontruiming zoals neergelegd in art. 551a Sv niet als strafvorderlijke bevoegdheid kan worden aangemerkt en dat de hantering van deze bevoegdheid los staat van de daaraan voorafgaande verdenking van overtreding van art. 138a Sr en daardoor in deze strafzaak niet aan de orde kan worden gesteld. Als gevolg daarvan heeft het hof de op de onrechtmatigheid van die ontruiming betrekking hebbende verweren ten onrechte onbesproken gelaten, aldus de steller van het middel.
LJNBO3682 in een civiele spoedprocedure geoordeeld dat ontruimen op grond van art. 551a Sv in verbinding met art. 138a Sr zonder een voorafgaande rechterlijke toetsing in strijd is met art. 8 EVRM Pro en met art. 13 EVRM Pro, terwijl in het onderhavige geval het pand is ontruimd voordat de krakers in de gelegenheid zijn gesteld om de zaak aan een rechter voor te leggen. Bovendien hadden de krakers een huisrecht, nu het pand is gebruikt om te overnachten, in het pand maaltijden zijn bereid en in het pand persoonlijke bezittingen zijn opgeborgen. Ten slotte gaat de stelling van het openbaar ministerie dat het pand op grond van de toepasselijke beleidsregels (Stcrt. 2 december 2010, nr. 19500) wel ontruimd mocht worden vanwege brandgevaar, niet op. [3]
LJNBJ1254,
NJ2010/213 m.nt. Mevis heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad beslist dat voor strafrechtelijke ontruimingen van kraakpanden door de politie op last van het openbaar ministerie geen basis kan worden gevonden in art. 429sexies (oud) Sr, in art. 2 Politiewet Pro 1993 of in art. 124 RO Pro, zodat zonder nadere formele wetgeving geen rechtsgrondslag bestaat voor zulke ontruimingen, die inbreuk maken op het grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde huisrecht van de kraker. Nadien (eveneens op 1 oktober 2010) is bij de Wet kraken en leegstand art. 551a Sv ingevoerd. Met deze bepaling heeft de wetgever beoogd om de voorheen bestaande praktijk met betrekking tot strafrechtelijke ontruimingen op grond van verdenking van overtreding van art. 138 Sr Pro of art. 429sexies (oud) Sr, die door voornoemd arrest van de Hoge Raad uit 2009 onwettig was geoordeeld, te kunnen continueren door ontruimingen op strafvorderlijke titel van een wettelijke basis te voorzien. [7]
LJNBO3682 [10] heeft het College van procureurs-generaal een beleidsbrief opgesteld over het voorlopig te volgen beleid bij voorgenomen strafrechtelijke ontruimingen. [11] Het hof heeft in dat arrest onder meer geoordeeld dat uit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming van het huisrecht de ontruiming van het kraakpand in beginsel slechts kan plaatsvinden nadat de krakers het oordeel van de voorzieningenrechter in eerste aanleg over de rechtmatigheid van de ontruiming hebben kunnen inroepen, dat het openbaar ministerie wel de uitkomst daarvan moet afwachten maar niet de uitkomst van een eventueel daartegen door de krakers ingesteld hoger beroep behoeft af te wachten, dat voor de effectiviteit van het rechtsmiddel is vereist dat - behoudens bijzondere omstandigheden - de ontruiming op een zodanig tijdstip wordt aangekondigd dat er voldoende gelegenheid is om een kort geding aanhangig te maken, en dat bij gebreke van een regeling ter zake in de Wet kraken en leegstand slechts nauwkeurig omschreven en deugdelijk gepubliceerde beleidsregels van het openbaar ministerie een voldoende waarborg dienaangaande bieden. [12] De beleidsbrief van het College van procureurs-generaal houdt het volgende in:
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verweer dat van “wederrechtelijk” vertoeven geen sprake is geweest en het verweer dat de verdachte zich niet bewust was van het wederrechtelijke karakter van dat vertoeven, heeft verworpen, nu het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door een onjuiste uitleg te geven aan het bestanddeel “wederrechtelijk” zoals opgenomen in de tenlastelegging. De bewezenverklaring is, voor zover zij inhoudt dat de verdachte “wederrechtelijk” in het gebouw heeft vertoefd, niet naar de eis der wet met redenen omkleed terwijl het vereiste opzet evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aldus de steller van het middel.
Kamerstukken II2008/09, 31 560, nr. 5) is dit bestanddeel, dat in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog wel voorkwam, door de initiatiefnemers van de wet immers uitdrukkelijk geschrapt met het doel de reikwijdte van de strafbepaling juist niet in deze zin te beperken.
wederrechtelijkheeft vertoefd. De bewezenverklaring is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.