Conclusie
1.Feitenen procesverloop
bevoegdheiden geen verplichting bevat voor het gemeentebestuur. Een overheidsorgaan dient op zorgvuldige wijze gebruik te maken van haar toegekende bevoegdheden. Dit brengt mee dat de gemeente een afweging dient te maken van alle betrokken belangen.
2.Inleidende beschouwingen
“tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen(tegen tenuitvoerlegging jegens een - verdere - rechtsopvolger; LK)
verzetten”zodanig gewijzigd dat aan burgemeester en wethouders ter zake een discretionaire bevoegdheid (
“naar het oordeel van burgemeester en wethouders”) zou toekomen. Art. 100e (nieuw) kwam per 1 juli 2007 als volgt te luiden:
“op grond van artikel 2 aangewezen Pro schriftelijke publiekrechtelijke rechtshandeling waaruit een publiekrechtelijke beperking voortvloeit dan wel waarbij deze wordt gewijzigd of komt te vervallen.”Art. 2 Wkpb Pro bepaalt, voor zover van belang:
).
“vervallen”). Met de als zodanig gehandhaafde bepaling van art. 13 lid 2 Invoeringswet Pro Wkbp, volgens welke bepaling (kennelijk ook zonder dat daaraan terugwerkende kracht toekomt) art. 100e lid 1 (oud) van kracht
“blijft”ten aanzien van besluiten die op basis van art. 100e lid 2 (oud) voor inschrijving in de openbare registers zijn aangeboden, is immers onverenigbaar dat zulke besluiten hun zakelijke werking door de inwerkingtreding van de Wkbp zouden hebben verloren. En zou dit laatste al anders zijn, dan zou die zakelijke werking in elk geval met de inwerkingtreding van de Wet van 29 mei 2008, Stb. 2008, 197, zijn “herleefd”.
“Mitsdien is met dit overgangsrechtelijke artikel bewerkstelligd dat besluiten die vóór 1 juli 2007 ter inschrijving zijn aangeboden weer zakelijke werking krijgen”), maar dat deze “reparatie” slechts geldt voor overdrachten die ná de inwerkingtreding van die wet op 13 juni 2008 dateren. Ik kan dit standpunt niet volgen. Als de zakelijke werking per 13 juni 2008 is herleefd, kunnen handhavingsbesluiten zoals bedoeld in art. 13 lid 2 Invoeringswet Pro Wkpb na die datum jegens de rechtsopvolger van degene aan wie dat besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger ten uitvoer worden gelegd, naar mijn mening óók als de overdracht tussen 1 juli 2007 en 13 juni 2008 heeft plaatsgehad. Een overdracht gedurende die periode doet immers niet eraan af dat de verkrijger (ook) na de inwerkingtreding van de Wet van 29 mei 2008 als (verdere) rechtsopvolger in de zin van art. 100e lid 1 (oud) heeft te gelden.
aanschrijvingen. Dat geval doet zich hier niet voor. Bovendien kan uit de passage niet worden afgeleid dat handhavingsbesluiten buiten het bereik van art. 100e (oud) zouden vallen, reeds omdat zij vóór de inwerkingtreding van die bepaling zijn genomen. Het moment waarop de handhavingsbesluiten zijn genomen, doet (anders dan het regime waaronder de betrokken aanschrijving valt) volgens de geciteerde passage kennelijk niet ter zake. Beslissend is slechts dat zij betrekking hebben op aanschrijvingen krachtens de Woningwet zoals die voor 1 april 2007 gold; mogelijk is in dat verband van belang dat bij de Wet van 21 december 2006, Stb 2007, 111, het tot dan bestaande aanschrijfinstrumentarium van de Woningwet aanmerkelijk is vereenvoudigd en dat voor de handhavingssystematiek zoveel mogelijk bij de generieke regeling van de Awb is aangesloten. Nog daargelaten dat aan de toelichting bij een amvb geen beslissende betekenis toekomt voor de uitleg van een wet in formele zin (en zeker niet voor de uitleg van een wet in formele zin waarop de betrokken amvb, zoals in casu, überhaupt niet is gebaseerd), meen ik dat uit de geciteerde passage niet volgt dat art. 100e (oud) op vóór zijn inwerkingtreding genomen handhavingsbesluiten geen betrekking heeft.
“na zijn bekendmaking”in de openbare registers is ingeschreven. Mede blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever voor ogen gestaan dat inschrijving van het besluit in de openbare registers zo spoedig mogelijk na zijn bekendmaking zou plaatsvinden. Nog daargelaten dat de woorden “zo spoedig mogelijk” niet in de definitieve versie van art. 100e (oud) zijn opgenomen, fixeren zij (anders dan art. 7 lid 3 Wkpb Pro, dat inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister voorschrijft binnen een termijn van vier dagen na de dag van bekendmaking) de termijn voor (aanbieding ten behoeve van) inschrijving niet op een bepaalde vaste (korte) tijdsduur, te rekenen vanaf de bekendmaking van het betrokken handhavingsbesluit. Dat laat ruimte voor een flexibele uitleg van de bepaling, in het bijzonder in die zin, dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat ten aanzien van vóór 1 april 2007 genomen handhavingsbesluiten eerst de inwerkingtreding van art. 100e (oud) op die datum ertoe aanleiding gaf (en, in verband met art. 3:17 BW Pro, überhaupt mogelijk maakte) handhavingsbesluiten ten behoeve van inschrijving in de openbare registers aan te bieden. Tegen een dergelijke flexibele uitleg verzet de ratio van inschrijving in de openbare registers zich mijns inziens niet. Volgens de memorie van toelichting, hiervóór (onder 2.3) reeds geciteerd, is aanbieding van het handhavingsbesluit na de bekendmaking daarvan door art. 100e (oud) voorgeschreven,
“met het oog op de kenbaarheid ervan voor rechtsopvolgers van degene, aan wie het handhavingsbesluit werd opgelegd.”Mede gelet op art. 100e lid 1 (oud), volgens welke bepaling het handhavingsbesluit jegens de rechtsopvolger en (verdere) rechtsopvolgers ten uitvoer kan worden gelegd
“tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten” [29] , ligt het naar mijn mening voor de hand (en is het met het oog op de door de wetgever bedoelde kenbaarheid voldoende) om als criterium voor de “tijdigheid” van de (aanbieding ten behoeve van) inschrijving van vóór 1 april 2007 bekendgemaakte handhavingsbesluiten te hanteren, of door de aanbieding ter inschrijving, kort na 1 april 2007, de (verdere) rechtsopvolger aan wie zakelijke werking van het handhavingsbesluit wordt tegengeworpen, tijdig van de inschrijving heeft kunnen kennisnemen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
verlenenvan zakelijke werking aan (kort gezegd) oude dwangsombeschikkingen te zeer in strijd geacht met de rechtszekerheid, althans met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Het is (bij de door mij veronderstelde uitleg van art. 100e (oud) Woningwet) echter niet de Gemeente, maar de wetgever in formele zin die zakelijke werking, ook aan oude dwangsombesluiten, heeft toegekend. Die zakelijke werking geldt in de visie van de wetgever van rechtswege, waaraan niet afdoet dat als voorwaarde daarvoor geldt dat het betrokken besluit ten behoeve van inschrijving in de openbare registers is aangeboden. Zoals het onderdeel terecht betoogt, is toetsing van de wet in formele zin aan het rechtszekerheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur naar geldende rechtspraak [30] uitgesloten. Dat ontneemt de rechter evenwel niet alle ruimte. In rov. 3.9 van het arrest
Harmonisatiewet [31] heeft de Hoge Raad overwogen:
Subonderdeel 5aonderstreept dat burgemeester en wethouders een beginselplicht tot handhaving hebben. Deze brengt mee dat wordt overgegaan tot toepassing van bestuursdwang dan wel oplegging van een last onder dwangsom en dat in geval van overtreding van de last tevens wordt overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen. Art. 100e (oud), dat bepaalt dat burgemeester en wethouders behoudens bijzondere omstandigheden een dwangsombeschikking jegens iedere rechtsopvolger ten uitvoer kunnen leggen, sluit hierbij volgens het subonderdeel aan. Het subonderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat in een dergelijk geval terughoudendheid van de rechter past, aangezien de wijze waarop burgemeester en wethouders van hun bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, op een aan de overheid toegekende belangenafweging berust.
subonderdeel 5bvereist de invordering van dwangsommen bij rechtsopvolgers niet dat enige relatie bestaat tussen de oorspronkelijke overtreders en J&D en DNC die erop zou zijn gericht handhaving en/of kostenverhaal door de Gemeente te dwarsbomen. De wetgever heeft invordering bij J&D en DNC mogelijk gemaakt behoudens bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat J&D en DNC rechtsopvolgers zijn brengt mee dat de dwangsommen bij hen kunnen worden ingevorderd; niet relevant is of J&D en DNC een verwijt treft, aldus het subonderdeel. Het hof heeft volgens het subonderdeel bovendien miskend dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van eventuele bijzondere omstandigheden bij J&D en DNC rust.
subonderdeel 5dstaat aan de mogelijkheid tot invordering evenmin in de weg dat de kosten van verwijdering van de illegale opstallen niet zijn verdisconteerd in de koopsom. Deze omstandigheid komt volgens het subonderdeel voor rekening van J&D en DNC, waarbij het subonderdeel onder meer uitgaat van
subonderdeel 5eis het oordeel dat de Gemeente niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de kosten van verwijdering niet in de koopsom waren verdisconteerd, onbegrijpelijk. De Gemeente heeft zich volgens het subonderdeel erop beroepen dat de geregistreerde dwangsombeschikkingen uitdrukkelijk aan de orde zijn geweest bij de behandeling van het verzoek ex art. 3:268 lid 2 BW Pro bij de rechtbank Amsterdam en op het feit dat de beschikking van die rechtbank van 16 augustus 2007, waarin verlof is verleend voor onderhandse verkoop, vermeldt dat de taxatiewaarden, rekening houdend met het standpunt van de Gemeente dat verbeurde dwangsommen aan haar zijn verschuldigd, zijn aangepast tot een executiewaarde van € 2.075.000 en een onderhandse verkoopwaarde van € 2.375.000.
onderdeel 6is het hof in rov. 3.7, door te oordelen dat een inschrijving van de dwangsombeschikkingen, bijna twee en een half jaar na bekendmaking van die beschikkingen, in strijd is met een redelijke uitleg van art. 100e lid 2 (oud), in een door art. 120 Gw Pro verboden rechtmatigheidstoetsing van art. 100e (oud) getreden. Dit artikel verleent volgens het onderdeel immers sinds 1 april 2007 zakelijke werking, óók aan dwangsombeschikkingen die voordien zijn genomen, mits aan de vereisten van het tweede lid is voldaan. Pas vanaf 1 april 2007 was het (mede gezien art. 3:17 BW Pro) voor de Gemeente wettelijk mogelijk de dwangsombeschikkingen ten behoeve van inschrijving in de openbare registers aan te bieden.