Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten, voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 1] (feit 2 primair), uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
[slachtoffer 1],
[slachtoffer 1],
[slachtoffer 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011.
[slachtoffer 1]:
[getuige 1](moeder van [slachtoffer 1]):
[getuige 2]:
[getuige 2]:
[betrokkene 5]:
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 28 maart 2011, inhoudend:
“De bewijsminimumregel ten aanzien van getuigenbewijs
Bruikbaarheid van getuigenverklaringen in het licht van hun totstandkoming
nietzijn uitgebuit, terwijl het dossier verschillende aanwijzingen bevat dat hiervan
welsprake is geweest en de advocaat-generaal op die grond ten aanzien van de betrokken getuige een bewezenverklaring heeft gevorderd.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 2
zehet geld sparen.”. Volgens de steller van het middel valt ook niet in te zien wat de relevantie van deze vaststelling voor de bewezenverklaring is. Ook de verklaring van getuige [betrokkene 5] zou niet als steunbewijs kunnen gelden, nu het Hof niet is ingegaan op de door de verdediging ingenomen stelling dat [slachtoffer 1] zelf heeft verklaard dat haar eerste werkdagen niet tegenover [betrokkene 5] waren. Een ander bezwaar dat wordt opgeworpen tegen de verklaringen van [getuige 2] en [betrokkene 5] is dat deze waarnemingen inhouden van gedrag dat bij [slachtoffer 1] zelf (de unus testis) is waargenomen, en deze ook geen inhoudelijke steun geven voor de bewezenverklaarde betrokkenheid van verzoeker bij het werk in de prostitutie, nu uit die verklaringen in het geheel niet blijkt waarom [slachtoffer 1] het gedurende enkele dagen van de vijf jaren dat zij in de prostitutie heeft gewerkt het kennelijk niet naar haar zin had.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 primair - voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 2] - niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans onvoldoende is gemotiveerd.
[slachtoffer 2]en (...),
[getuige 3](vader van [slachtoffer 2]):
[getuige 3](vader van [slachtoffer 2]):
[betrokkene 6](broer van [slachtoffer 2]):
[betrokkene 7], de moeder van [slachtoffer 2] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 200070 e.v.), ongedateerd, inhoudend het relaas van [betrokkene 7]:
[getuige 4]:
[getuige 5]:
[getuige 5]:
[getuige 6]:
[getuige 7]:
[getuige 2]:
mededelingvan de verbalisant:
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 28 maart 2011, inhoudend:
Met betrekking tot [slachtoffer 2]
derde middelklaagt dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging met betrekking tot zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], verwijst naar voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, zonder dat met voldoende mate van duidelijkheid is aangegeven waaraan het Hof deze feiten en omstandigheden heeft ontleend.
Met betrekking tot zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2]
vierde middelklaagt dat het Hof het onder 3 bewezenverklaarde feit ten onrechte als (gewoonte)witwassen heeft gekwalificeerd, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk [10] verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.