In deze zaak vordert eiseres tot cassatie betaling van schadevergoeding wegens het verlies van een perscontainer die zij in bruikleen had gegeven aan verweerster. De kern van het geschil betreft de vraag of eiseres vorderingsgerechtigd is, aangezien de bruikleenovereenkomst in 1996 werd gesloten door een vennootschap onder firma (vof) die later zou zijn ingebracht in de besloten vennootschap (bv) die eiseres is.
De rechtbank wees de vordering grotendeels toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij de rechtspersoon was die de overeenkomst was aangegaan. Eiseres was pas in 2004 opgericht, terwijl de overeenkomst uit 1996 dateert, en zij had geen stukken overgelegd waaruit de omzetting en contractsoverneming konden blijken.
Het hof oordeelde dat eiseres tekort was geschoten in haar stelplicht en dat het bewijsaanbod onvoldoende specifiek was om alsnog tot bewijslevering over te gaan. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwerpt het cassatieberoep, waarbij wordt benadrukt dat eiseres de oprichtingsakte en andere relevante stukken zelf had moeten overleggen om haar vorderingsgerechtigdheid te onderbouwen.