Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het principaal en het incidenteel cassatiemiddel
onderdelen 2 en 3houden in dat weliswaar een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend ten aanzien van een persoon die ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft (art. 15 Wet Pro Bopz), maar dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat betrokkene krachtens een voorlopige machtiging (preciezer: een op de voet van art. 14d tot voorlopige machtiging geconverteerde voorwaardelijke machtiging) in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Volgens de klacht verbleef betrokkene ten tijde van de bestreden beschikking in het ziekenhuis zonder een geldige verblijfstitel (onderdeel 3). Onderdeel 2, onder a - d, komt inhoudelijk overeen met onderdeel 2, onder a - d, in de parallelzaak. Voor een samenvatting van de relevante regelgeving volsta ik met een verwijzing naar de heden genomen conclusie in de parallelzaak.