Conclusie
Onderdeel 1keert zich tegen rov. 8 van de bestreden beschikking waarin het hof overweegt dat het met het IJI van oordeel is dat [verweerster] erkend is door de man naar Filippijns recht. Dit blijkt volgens het hof met name uit de door [verweerster] overgelegde akten. Uit een eerste overgelegde akte blijkt dat de man en de moeder van [verweerster] gezamenlijk de geboorte van [verweerster] hebben laten inschrijven bij het geboorteregister van Hong Kong op 9 januari 1989. Daarnaast is een geboorteaangifte overgelegd, gedaan door de moeder bij het consulaat-generaal van de Filippijnen te Hong Kong op 30 januari 1989, waarin de man als vader is vermeld. Het hof heeft geen reden gezien om aan te nemen dat naar Filippijns recht het huwelijk van de man met [verzoekster] aan de erkenning van [verweerster] in de weg stond. Voorts heeft [verweerster] ter zitting verklaard dat zij Rooms-Katholiek is, zodat het IJI in het rapport van het (juiste) op haar toepasselijke recht is uitgegaan, aldus het hof.
Onderdeel IIkeert zich tegen de rov. 9 e.v. van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft beoordeeld of de in het buitenland opgemaakte akte waarin tussen de man en [verweerster] familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld in Nederland kan worden erkend of dat de Nederlandse openbare orde zich tegen deze erkenning verzet. In dat verband is het hof nagegaan of de man naar Nederlands recht bevoegd zou zijn [verweerster] te erkennen (rov. 9) [2] , waarbij het hof is uitgekomen op art. 1:204 lid 1 sub e BW Pro waarin is bepaald dat de erkenning nietig is, indien zij is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij wordt vastgesteld dat, voor zover van belang, tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat (rov. 10). Naar het oordeel van het hof is de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [verweerster] voldoende aannemelijk gemaakt, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat de man aanwezig is geweest bij de doop van [verweerster], kinderbijslag voor haar heeft aangevraagd, haar regelmatig op de Filippijnen ging opzoeken, onderhoudsbijdragen aan haar moeder overmaakte en haar heeft opgenomen in zijn testament. Volgens het hof is het aannemelijk dat deze nauwe persoonlijke band ook ten tijde van de erkenning aanwezig was (rov. 11).