3.15. Hoewel de samenwerking primair gericht was op het plegen van een roofoverval, strekte de samenwerking zich ook uit tot strafbare feiten die van het gemaakte plan een belangrijk onderdeel vormden. Die strafbare feiten komen daarmee voor rekening van de medepleger, ook als hij aan het plegen van die feiten niet daadwerkelijk heeft bijgedragen. Iets dergelijks speelt mogelijk ook in het arrest inzake de overval in Oirschot. Het primaire doel van de dadergroep was weliswaar niet het doden of verwonden van politieagenten, maar het gebruik van grof geweld als de nood aan de man kwam, zat wel in het plan ingebakken. Gezegd kan daarom worden dat het geweld aangewend werd in het kader van de uitvoering van het gezamenlijke plan en dat dit geweld daarom kon gelden als te zijn begaan in nauwe samenwerking met de andere bendeleden.
3.16. Het gezamenlijke plan lijkt in de jurisprudentie van de Hoge Raad een dubbelfunctie te vervullen. Het plan biedt zoals wij zojuist zagen houvast bij de beantwoording van de vraag of een door de mededader van de verdachte begaan strafbaar feit onder het samenwerkingsverband kan worden gebracht. Daarnaast kan het plan een belangrijke aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het opzet van de medepleger ook op dat begane strafbare feit was gericht. Een voorbeeld levert het bekende arrest inzake de schietpartij in een schoolgebouw in Veghel (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6118). Het plan was om de ex-vriend van de dochter van verdachte te doden. De zoon van verdachte raakt echter vier andere scholieren, die zich in de buurt van de ex-vriend bevonden. Het Hof overwoog dat het opzet van de zoon de verdachte kon worden “aangerekend”. Daarover klaagde het middel op zich terecht, want voor aanrekenen van opzet is in ons strafrecht geen plaats. De Hoge Raad oordeelde evenwel dat de overwegingen van het Hof als volgt verstaan moesten worden: “Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn zoon naar school heeft gebracht, hem een geladen pistool heeft verschaft en hem met dat pistool de school heeft laten binnengaan om daar [slachtoffer 1] neer te schieten, terwijl hij (verdachte) wist dat zich op dat tijdstip vele personen in de school bevonden en dat zijn zoon een ongeoefend schutter was. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn zoon - wiens tot het bewijs gebezigde verklaringen er op neer komen dat hij het louter op [slachtoffer 1] had gemunt - ook andere personen die zich in de buurt van [slachtoffer 1] zouden bevinden, dodelijk zou treffen. Volgens het Hof is daarom bij de verdachte sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de in de bewezenverklaring onder 2A genoemde personen.”
Door deze herformulering ontviel aan het middel de feitelijke grondslag. Aangenomen mag worden dat de Hoge Raad zich in de verbeterd gelezen overweging van het Hof kon vinden. In die overweging ligt enerzijds besloten dat de kogels waardoor de andere scholieren waren getroffen, afgevuurd waren ter uitvoering van het gezamenlijke plan (de verdachte had het steeds op de ex-vriend gemunt) en anderzijds dat verdachte, juist omdat de kans dat anderen zouden worden getroffen in het plan besloten lag, voorwaardelijk opzet had op de verwerkelijking van die kans.
3.17. De Hoge Raad lijkt in dit type gevallen aan het bewijs van het voorwaardelijk opzet geen hoge eisen te stellen.Daar komt bij dat een betrekkelijk globaal opzet toereikend is. Zo was voldoende dat de verdachte in de zaak van de Veghelse schietpartij voorwaardelijk opzet had op het feit dat “andere personen” werden getroffen. Op het precieze aantal personen hoefde hij geen opzet te hebben, laat staan op de identiteit van die personen. Zo ook lijkt in de zaak van de overval in Oirschot niet vereist te zijn dat de verdachte opzet had op precieze wijze waarop het in het plan ingebakken grove geweld zich manifesteerde. Het besef dat de medeverdachten bereid waren om zich met vuurwapens tegen een eventuele aanhouding te verzetten, lijkt te volstaan. Dat is in elk geval een realistische benadering. Niet alle criminele plannen zijn even goed doordacht, terwijl ook of juist in goed doordachte plannen rekening wordt gehouden met onvoorziene omstandigheden. Het plan kan de medeplegers dus ruimte laten om naar bevind van zaken te handelen zonder dat dit het vereiste opzet aantast. Illustratief is HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5713, waarin de verdachte wist van de vrijheidsberoving, maar mogelijk niet wist dat zijn mededaders het slachtoffers hadden gekneveld. De Hoge Raad overwoog dat “niet is vereist dat de verdachte op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van zijn mededader(s)”. 3.18. Ook een aanpassing of bijstelling van het plan waartoe onvoorziene omstandigheden op het laatste moment nopen, maken niet snel dat van bewuste en nauwe samenwerking geen sprake meer is. Men zou kunnen zeggen dat, juist omdat het de omstandigheden waren die tot aanpassing dwongen, het handelen van de daders nog steeds voortvloeide uit, en gedragen werd door, het oorspronkelijke plan. Als voorbeeld kan hier HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396, waarin de verdachte en zijn drie mededaders de Chinese man die zij wilden doden, bij de uitgang van een snookercentrum opwachtten. De man kwam echter niet alleen naar buiten, maar samen met een andere Chinees. Ook die Chinees werd gedood. De rol van de met een mes bewapende verdachte bleef daarbij beperkt tot het zodanig positie kiezen dat de beide – op een fiets gezeten – Chinezen niet konden ontsnappen. Naar het oordeel van de Hoge Raad kon de verdachte ook ten aanzien van de tweede moord als medepleger worden aangemerkt, nu, gelijk het Hof klaarblijkelijk had geoordeeld, diens opzet daarop “in elk geval in voorwaardelijke zin” was gericht geweest. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat de verdachten hun slachtoffer bij een voor het publiek toegankelijk snookercentrum hadden opgewacht – zodat de aanwezigheid van ongewenst publiek als risico in het plan besloten lag – en dat de verdachten toen de beide Chinezen naar buiten kwamen “zijn rol is blijven vervullen”. 3.19. De vraag is wat de waarde van dat laatste argument is. Het lijkt een variant op het veelvuldig van stal gehaalde argument dat de verdachte zich, hoewel daar gelegenheid voor was, niet van het gebeuren heeft gedistantieerd. Het komt mij voor dat de grondslag voor de aansprakelijkheid daarin niet, althans niet primair, kan zijn gelegen. Dit omdat dikwijls kwestieus is of de verdachte werkelijk in een positie verkeerde dat hij zich nog van de strafbare onderneming kon distantiëren. De grondslag zou veeleer gezocht moeten worden in het feit dat hij zich aan de criminele onderneming heeft gecommitteerd. Dat commitment maakt het weinig waarschijnlijk dat de verdachte zich op het allerlaatste moment van de onderneming zou hebben willen distantiëren. Het feit dat hij zijn rol blijft vervullen, bevestigt zo gezien slechts wat uit het commitment voortvloeit. Dat gegeven vormt in bewijsrechtelijke zin een aanwijzing dat de desbetreffende strafbare feiten werden gepleegd in het kader van de uitvoering van het plan waaraan de verdachte zich tevoren had verbonden, zodat mag worden aangenomen dat diens opzet daarop in voorwaardelijke zin was gericht. Dat het praktisch onmogelijk is geweest om zich nog te distantiëren, neemt in deze benadering de aansprakelijkheid niet weg, tenminste niet als (op andere gronden) kan worden aangenomen dat het om de uitvoering van het plan ging waaraan de verdachte zich had gecommitteerd. Het gaat dan namelijk om een positie waarin de verdachte zich, door zich aan het plan te committeren, zelf heeft gebracht. Bij wijze van voorbeeld nogmaals de zaak van de ramkraak in Oirschot. Voor elk bendelid – dus niet alleen voor de verdachte, maar ook voor de chauffeur die de vluchtauto een zijweg inreed om de politie aldaar op te wachten en voor de schutters die het vuur openden – gold vermoedelijk dat hij niet in de positie verkeerde om er op dat moment de brui aan te geven. Een dergelijk ‘verraad’ – dat tot de arrestatie van de hele bende zou kunnen leiden – zou mogelijk niet zijn gepikt. Die dwangpositie disculpeert echter niet. Medeplegen onder dwang blijft medeplegen. In het verlengde daarvan ligt dat louter innerlijke distantie – die zich op geen enkele wijze manifesteert – niet voldoende is om aan aansprakelijkheid te ontkomen.
3.20. Terug naar de onderhavige zaak. De vraag die hier beantwoord moet worden is niet of de verdachte als medepleger van het onder 2 tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. De vraag is enkel of de door het Hof gegeven motivering de vrijspraak van dat feit kan dragen. Daarbij geldt dat die motivering voor alle drie varianten van het tenlastegelegde feit toereikend moet zijn. Dat is van belang omdat de eisen die aan het medeplegen worden gesteld, per variant verschillen. Zo is voor de primair tenlastegelegde doodslag nodig dat de medepleger (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Een dergelijk opzet is niet vereist bij het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. De regels van de cassatierechtspraak brengen daarbij mee dat, als de motivering de vrijspraak van het meer subsidiair tenlastegelegde feit niet kan dragen, de gegeven vrijspraak in haar geheel (dus ook voor zover die betrekking heeft op de primair en subsidiair tenlastegelegde variant) moet worden vernietigd. De vraag waarop het in cassatie uiteindelijk aankomt is dus of de vrijspraak van het meer subsidiair tenlastegelegde feit (het tezamen en in vereniging gevaar veroorzaken voor de veiligheid op de weg) toereikend is gemotiveerd.
3.21. Het antwoord op die vraag kan na de voorafgaande beschouwingen betrekkelijk kort zijn. Voor zover in de overwegingen van het Hof als zijn oordeel besloten ligt dat voor het bewijs van medeplegen vereist is dat uit het dossier blijkt dat de beide verdachten hetzij vooraf, hetzij na het moment waarop zij zich betrapt voelden, expliciete afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop zij zich aan een (eventuele) aanhouding zouden onttrekken, getuigen die overwegingen van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag die het Hof had moeten beantwoorden is veeleer of een overhaaste, en vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onverantwoorde, vlucht op de scooter bij een onverhoopte betrapping door de politie als een reële mogelijkheid in het plan om het hotel te beroven besloten lag. Als dat geval zou zijn, kan de bijrijder namelijk geacht worden tenminste voorwaardelijk opzet te hebben gehad op het rijgedrag van de bestuurder. Voor zover het Hof in bedoelde overwegingen ‘slechts’ als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat in casu geen sprake was van enige voorafgaande samenwerking waarmee de vlucht op de scooter in verband stond, is dat oordeel in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten niet zonder meer begrijpelijk. Zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, wijst alles er juist op dat de verdachten zich hadden ingesteld op een snelle aftocht om te voorkomen dat zij ‘gepakt’ zouden worden. Ik voeg daaraan toe dat het er sterk op lijkt dat het naleven van de wegenverkeerswetgeving al voordat de verdachten er vandoor gingen niet hun eerste prioriteit lijkt te zijn geweest.
3.22. Ik begrijp de overwegingen van het Hof aldus, dat zijn opvatting dat de rollen volstrekt inwisselbaar moeten zijn, een uitvloeisel is van zijn oordeel dat de vlucht voor de politie geheel los stond van het plan om het hotel te overvallen. Nu dat laatste oordeel ontoereikend is gemotiveerd, volgt reeds daaruit dat het Hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd.