De verdachte werd door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het als vreemdeling in Nederland verblijven terwijl hij wist dat hij tot ongewenste vreemdeling was verklaard. De verdediging voerde aan dat toepassing van artikel 9a Sr (geen straf opleggen) passend zou zijn vanwege persoonlijke omstandigheden. Het hof wees dit af en motiveerde dat de ernst van het feit en recidive een gevangenisstraf rechtvaardigen.
De verdediging stelde ook dat de verdachte feitelijk niet uitzetbaar was, wat het hof niet als verweer beschouwde omdat niet was aangetoond dat de verdachte voldoende inspanningen had verricht om Nederland te verlaten. De Hoge Raad stelde vast dat het bestreden arrest niet duidelijk maakt dat het hof heeft onderzocht of de stappen van de terugkeerprocedure waren doorlopen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor wat betreft de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen omdat de terugkeerrichtlijn en de wettelijke verplichtingen rond het verlaten van Nederland door vreemdelingen die tot ongewenst zijn verklaard, in acht moeten worden genomen bij de strafoplegging.