De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam bevestigd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens illegaal verblijf als ongewenste vreemdeling. De verdediging stelde primair niet-ontvankelijkheid en subsidiair overmacht dan wel afwezigheid van alle schuld aan, onderbouwd met het feit dat de verdachte geen identiteits- of reisdocumenten kon verkrijgen van de Russische autoriteiten en herhaaldelijk in vreemdelingenbewaring had gezeten.
Het hof verwierp deze verweren omdat niet was komen vast te staan dat de verdachte al het redelijkerwijs mogelijke had gedaan om Nederland te verlaten. De door de verdediging overgelegde stukken, waaronder correspondentie van de Russische migratiedienst, waren niet overtuigend en er waren geen bijzondere persoonlijke omstandigheden aangevoerd die vertrek belemmerden.
De Hoge Raad stelt voorop dat bij strafoplegging in zaken met terugkeer van vreemdelingen de terugkeerrichtlijn moet worden gevolgd en dat het hof zich ervan moet vergewissen dat de terugkeerprocedure volledig is doorlopen. Dit blijkt niet uit het bestreden arrest, waardoor de Hoge Raad het arrest vernietigt voor wat betreft de strafoplegging.
De overige klachten van de verdediging, waaronder het primaire verweer van niet-ontvankelijkheid en het subsidiaire verweer van overmacht, worden verworpen. Het middel faalt omdat het oordeel van het hof over de inspanningen van de verdachte om Nederland te verlaten niet onbegrijpelijk is en niet in cassatie kan worden onderzocht.
De conclusie van de procureur-generaal is tot verwerping van het beroep, mede om overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen.