Conclusie
Feiten en procesverloop
( [2] )).
( [3] )
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Het hof verenigt zich met de overwegingen en de beslissingen die het GEA onder rov. 3.3 van het vonnis waarvan beroep heeft gegeven ten aanzien van het standpunt van Juno dat de door Macquarie gepleegde “material breach” daarin is gelegen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de bepalingen van artikel 2.8 (a) van de SAA zouden hebben geschonden, en maakt deze tot de zijne. In haar toelichting bij grief 2 heeft Juno niets (nieuws) aangevoerd – (…) – dat tot een ander oordeel leidt.”Een en ander brengt mee dat met klacht a. bestreden wordt het door het GHvJ één op één overgenomen oordeel van het GEA in rov. 3.3 van zijn vonnis d.d. 19 april 2010.
slechtste verwijzen naar de tweede volzin van artikel 2.8 (a) SAA, meer in het bijzonder naar de daarin voorziene bevoegdheid van de Director om rekening te houden met de belangen van degene die hem heeft aangewezen. Dat strookt niet met het gegeven dat ingevolge de eerste volzin van artikel 2.8 (a) SSA het belang van de Nominated Entity vooropstaat en aan dat belang ondergeschikt is het ingevolge de tweede volzin rekening mogen houden met het belang van degene die de betrokken Director heeft benoemd.
“Daarbij is in het bijzonder van belang de tweede zin van artikel 2.8 (a), waarin tot uitdrukking komt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de belangen van Macquarie in het oog mochten houden en mede in het belang van Macquarie mochten handelen.”Daarop volgt nog de volgende slotsom:
“Ook indien [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de gewraakte informatie over de kredietwaardigheid van de Nominated Entity daadwerkelijk hebben doorgegeven aan Macquarie en Macquarie daar vervolgens naar heeft gehandeld door kredietfaciliteiten op te zeggen, levert dat naar het oordeel van het Gerecht derhalve geen onrechtmatig handelen of wanprestatie op zijdens [betrokkene 1], [betrokkene 2] en/of Macquarie.”Beide citaten in onderlinge samenhang bezien maken duidelijk dat daarachter de opvatting omtrent artikel 2.8 (a) SAA steekt (of moet steken) dat, ook wanneer het – in de tweede volzin van artikel 2.8 (a) toegelaten – handelen van een Director in het belang van degene, die hem heeft benoemd, nadelig is voor de Nominated Entity, dit niet, althans niet zonder meer, onverenigbaar is met de in de eerste volzin van artikel 2.8 (a) neergelegde verplichting om te handelen ‘in good faith and in the interest of the relevant Nominated Entity as a whole at all times’. Volgens de hoofdklacht vormt deze opvatting een onbegrijpelijke uitleg van artikel 2.8 (a) SAA; het bepaalde in de tweede volzin van dat artikel is immers ondergeschikt aan het bepaalde in de eerste volzin van dat artikel. Is er inderdaad sprake van een onbegrijpelijke uitleg van artikel 2.8 (a) SAA?
‘Subject to this duty’.Deze woorden vormen een verwijzing naar de hiervoor genoemde, in de eerste volzin geformuleerde verplichting van een Director van een Nominated Entity. Deze verwijzing brengt zeker mee dat de Director bij het in de tweede volzin toegelaten handelen in het belang van degene, die hem heeft benoemd, acht moet blijven slaan op de in de eerste volzin neergelegde verplichting. Het komt echter niet aannemelijk voor, dat die verplichting zo is te verstaan dat zij meebrengt dat een Director zonder meer en altijd van ieder handelen in het belang van degene, die hem heeft benoemd, moet afzien, indien dit de betrokken Nominated Entity kan benadelen. In ieder geval lijkt dat niet voor de Macquarie Director op te gaan, gelet op het navolgende. De SAA heeft een bijzondere relatie tussen Macquarie en de Juno-Groep – (in de SAA nog ‘Minerva Group’ geheten) – doen ontstaan. De in de SAA geregelde samenwerking zou, zo blijkt in het bijzonder uit hoofdstuk 7 van de SAA, bestaan uit het verlenen van diensten van financiële aard door Macquarie aan entiteiten van de Juno-Groep, meer in het bijzonder aan Nominated Entities uit de Juno-Groep. Hierdoor zou het eigenbelang van Macquarie, zeker ook in financieel opzicht, sterk betrokken raken bij het wel en wee van de Juno-Groep. Die bijzondere relatie tussen Macquarie en de Juno-Groep en het vanwege die relatie sterk betrokken zijn van het (financiële) eigenbelang van Macquarie bij de gang van zaken in de Juno-Groep, vinden uitdrukking in het apart aan Macquarie verlenen van de bevoegdheid om een Director in de Board of Directors van Nominated Entities te benoemen (artikel 2.1 SAA). De Board of Directors, die belast is met het ‘overall management’ en niet met het ‘day-to-day’ management van een Nominated Entity (artikelen 2.2 en 4.1 SAA
( [4] )), bestaat blijkens artikel 2.3 SAA behalve uit een Chairman en Directors, die door de Founding Shareholders van een Nominated Entity in de Board of Directors worden benoemd, ook uit een aparte Macquarie Director. Het in artikel 2.3 SAA apart vermelden van de Macquarie Director onderstreept de eigen status van de Macquarie Director binnen de Board of Directors van een Nominated Entity. Die eigen status, die verband houdt met de hierboven kort weergegeven bijzondere relatie tussen Macquarie en Juno, rechtvaardigt om het in de tweede volzin van artikel 2.8 (a) SAA bepaalde op te vatten als dat het niet volkomen onderschikt is aan het in de eerste volzin van dat artikel bepaalde en dat het ruimte laat voor het onder omstandigheden laten prevaleren van het belang van Macquarie boven dat van Juno.
( [5] )
“In rov. 4.28 lijkt het hof er (impliciet) van uit te gaan dat, nu geen sprake is van een ‘‘material breach’’, alsdan daarmee de procedure van artikel 12.2 SAA niet meer behoef[t] te worden gevolgd. Tegen dit onderdeel van de uitspraak richt zich de klacht, in die zin dat het hof niet is ingegaan op de essentiële en onderbouwde stelling van Juno dat de uitleg van artikel 12.1 SAA – in samenhang gelezen met 12.2 SAA – anders luidt dan het hof kennelijk voorstaat, althans dat het hof ten onrechte op dit punt het ‘‘Haviltex criterium’’ niet heeft toegepast, nu immers de stellingen van Juno in dit verband niet zijn besproken, terwijl die stellingen haaks staan op hetgeen het hof tot uitgangspunt genomen heeft.”Met de stellingen van Juno wordt gedoeld op de op blz. 8, onderaan, en blz. 9, bovenaan, vermelde stelling
“dat als een partij stelt dat er sprake is van een ‘‘material breach’’ [dit] al voldoende is om de procedure ex artikel 12.2 SAA in gang te zetten”.
steltdat er aan de zijde van Macquarie sprake is van ‘material breach’, kan in het midden blijven. Dat het GHvJ dat oordeel is toegedaan, blijkt hieruit dat het in zijn vonnis eveneens tot de vaststelling komt dat van een ‘material breach’ van Maquarie niet is gebleken en daarin aanleiding vindt de afwijzing door het GEA van de gehele reconventionele vordering van Juno, dus ook de vordering om Macquarie te veroordelen om de procedure van artikel 12.2 te doorlopen, te bekrachtigen. Daaruit blijkt niet van een onjuiste toepassing van de Haviltex-formule of van een onbegrijpelijke uitleg van artikel 12.2 SAA. Lezing van dat artikel leert dat in het artikel geen enkele grond voor de meergenoemde stelling van Juno is te vinden. In 12.1 worden drie gevallen vermeld, waarin ‘Macquarie becomes a Defaulting Noteholder’. Het tweede geval luidt: “Macquarie commits a material breach of any of its obligations under this agreement which remains unremedied for 30 days after notice of the breach has been given by Minerva or another party to this agreement.” Deze omschrijving van het tweede geval biedt geen grond voor de stelling van Juno. Eerder voor het tegendeel. Hetzelfde geldt voor de omschrijving van de twee andere gevallen.