Conclusie
2. Ontvankelijkheid
FEITEN’, twee middelen tot cassatie. Middel II bevat twee onderdelen.
Middel I, klaagt over deze passage van rov. 4 van het bestreden arrest:
sc.niet (voldoende) voldoen aan sollicitatieverplichting, A-G) kan haar dan ook worden toegerekend.”
overigens’) die zijn beslissing - dat [verzoekster] ook in die periode niet aan haar sollicitatieverplichting heeft voldaan - niet draagt (waar het hof als in 2.4 aangegeven bovendien een niet in cassatie aangevallen dragende reden voor geeft: [verzoekster] zelf schrijft tweeënhalve maand later aan de bewindvoerder dat zij weer solliciteert). Datzelfde geldt voor zijn overweging dat de bewindvoerder geen maatschappelijk werker is. Het middel faalt ook op die gronden.
Middel IIomvat twee onderdelen en richt zich tegen een andere passage uit rov. 4 van het bestreden arrest:
Onderdeel 1van middel II verliest uit het oog dat het hof in rov. 4 van het bestreden arrest (p. 4) - onbestreden in cassatie - zowel de door [verzoekster] aangevoerde bijzondere omstandigheden als haar beroep om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen uitdrukkelijk in haar oordeel heeft betrokken behandeld, maar in de aangevoerde omstandigheden geen rechtvaardiging zag de tekortkoming buiten beschouwing te laten en evenmin gronden aanwezig zag om de termijn te verlengen. Het middel strandt derhalve. Het mist feitelijke grondslag.
Onderdeel 2mist eveneens feitelijke grondslag. De beslissing van het hof dat [verzoekster] haar sollicitatieverplichting niet heeft nageleefd en dat deze tekortkoming maakt dat de schuldsaneringsregeling moet worden beëindigd, is niet gegrond op de niet naleving van de sollicitatieplicht in de periode voorafgaand aan meerbedoeld vonnis van 30 juni 2011. Het hof heeft dat vonnis en de daarin vastgestelde niet naleving van de sollicitatieverplichting slechts aangehaald teneinde te benadrukken dat [verzoekster] door die procedure wist dat zij aan de op haar rustende sollicitatieplicht moest voldoen. Het lag daarmee, zoals ook het hof heeft overwogen, op de weg van [verzoekster] om in dat verband in elk geval vanaf 30 juni 2011 haar uiterste best te doen om aan haar sollicitatieverplichtingen te voldoen, hetgeen zij niet heeft gedaan, wat haar ernstig valt te verwijten volgens het hof.