Conclusie
1.Feiten en procesverloop
exclusiefdekking voor diefstal en vandalisme.
nieuweinboedelverzekering aangevraagd, nu voor een verzekerde som van € 800.000,-, bij een pool van verzekeraars, waaronder Nationale-Nederlanden als hoofdverzekeraar, die voor dat bedrag voorlopige dekking verleende maar onder de voorwaarde dat aan een aantal beveiligingseisen zou worden voldaan.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“Aangenomen dat de uiteindelijk gewenste verhoging van de verzekerde som naar € 800.000 in plaats van f 800.000 geen bijzondere invloed uitoefende, (…).”Gesteld wordt dat deze aanname onjuist, uit de lucht gegrepen en geheel niet gemotiveerd is. Dat wordt hiermee toegelicht, dat weliswaar het verzoek om verhoging van de verzekerde som tot € 800.000,- in plaats van tot NLG 800.000,- een abuis aan de kant van [B] was en dat dat abuis grote gevolgen heeft gehad, te weten tot zwaardere eisen van Nationale-Nederlanden ten aanzien de elektronische en bouwkundige beveiliging heeft geleid waaraan [eiser] c.s. niet konden voldoen, maar dat een en ander toch is te beschouwen als een gevolg van het handelen van [verweerder]. Er wordt verwezen naar hetgeen in 19 en 29 van de memorie van grieven is aangevoerd.
“Onder deze gegeven omstandigheden gaat het te ver om [verweerder] verantwoordelijk te houden voor de onderdekking toen de inbraak op 27 mei 2007 plaatsvond, 11 maanden na de ontdekking van de onderdekking. Deze vorm van schade staat niet in zodanig verband met de gestelde tekortkomingen van [verweerder], dat zij hem, mede gezien de aard van aansprakelijkheid (de contractuele zorgplicht van de assurantiepersoon) en van de schade (onderverzekering bij inbraak), als gevolg van deze gebeurtenissen kan worden toegerekend (zie artikel 6:98 BW Pro).”In het cassatiemiddel wordt een primaire, subsidiaire en meer subsidiaire klacht aangevoerd.
slechtsin aanmerking:
“schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”Het oordeel over deze toerekening van de schade aan de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, vormt een rechtsoordeel en komt in cassatie voor toetsing op juistheid in aanmerking. Aspecten die bij de beantwoording van de toerekeningsvraag een rol kunnen spelen zijn niet alleen de in de bepaling genoemde aard van de aansprakelijkheid (bijvoorbeeld schuld- of risico-aansprakelijkheid) en van de schade (bijvoorbeeld zuivere vermogensschade of letselschade), maar ook de lengte van het feitelijke verband tussen oorzakelijk feit en schade en de – mede hiermee in verband staande – voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van de schade. In verband met dit laatste kan meespelen in hoeverre verwacht mag worden dat maatregelen tegen het intreden of verder intreden van schade worden getroffen. In beginsel zijn bij de beoordeling van de toerekening alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Daardoor kan het betreffende oordeel sterk toegespitst raken op het betrokken geval en daarmee ook een sterk feitelijk karakter krijgen. Dan bestaat er aanleiding om bij de toetsing in cassatie meer terughoudendheid te betrachten.
( [2] )
primaire klacht. De klacht wordt in algemene bewoordingen in § 14 omschreven: het hof heeft een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet of niet voldoende gemotiveerd verworpen. Uit wat daarop in de volgende paragrafen volgt lijkt af te leiden dat gedoeld wordt op het standpunt van [eiser] c.s. dat er sprake is van een causaal verband tussen de tekortkomingen van [verweerder] en de schade uit onderverzekering. Maar met causaal verband wordt hier gedoeld op het conditio-sine-qua-non-verband. Zie de eerste volzin van § 17 jo. slotzin van § 18 en § 19. Daarmee wordt echter miskend dat het hof tot afwezigheid van causaal verband niet heeft geconcludeerd wegens het ontbreken van het conditio-sine-qua-non-verband. Daardoor mist de primaire klacht doel wegens gemis aan feitelijke grondslag.
subsidiaire klachttreft men aan in de §§ 20 t/m 22. In § 20 wordt gerefereerd aan artikel 6:98 BW Pro. Mede gelet hierop lijkt de subsidiaire klacht betrekking te hebben op het causaal verband, voor zover het daarbij gaat om de redelijke toerekening van de schade aan de laedens. Hetgeen vervolgens in de §§ 21 en 22 te berde wordt gebracht, levert echter geen adequate bestrijding op van de gronden die het hof in rov. 4.9 aanvoert voor zijn oordeel dat uit oogpunt van toerekening van de schade aan [verweerder] causaal verband tussen diens tekortkomingen en de schade uit onderverzekering ontbreekt. Er wordt niet of in ieder geval niet duidelijk aangegeven waarom die gronden onjuist zijn of waarom het onbegrijpelijk dat het of tot aanvaarding van die gronden is gekomen. Dat doet de subsidiaire klacht falen.
meer subsidiaire klachtin de §§ 23 t/m 25. Die klacht wordt aangevoerd voor het geval de overwegingen van het hof moeten worden gezien als een ambtshalve toepassing van artikel 6:101 BW Pro. Daartoe geven de overwegingen van het hof echter geen aanleiding. Uit rov. 4.9, meer in het bijzonder uit de verwijzing aan het slot naar artikel 6:98 BW Pro, volgt duidelijk dat het hof tot afwijzing van de schadevordering tegen [verweerder] komt, omdat het van oordeel is dat de door [eiser] c.s. geleden schade uit onderverzekering niet op de voet van genoemd artikel aan [verweerder] is toe te rekenen. De meer subsidiaire klacht is derhalve evenzeer gedoemd te falen wegens gemis aan feitelijke grondslag.