Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing en zijn taak als verwijzingsrechter heeft miskend door in rechtsoverweging 9 (mede) doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de bij pleidooi in hoger beroep (in de procedure na cassatie en verwijzing) naar voren gebrachte stelling van [verweerder] dat [betrokkene 3] zijn bod zou hebben gehandhaafd. Deze stelling betrof geen in de procedure na cassatie en verwijzing toegestaan nieuw feit nu dit feit [verweerder] reeds voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding bekend was en hij deze stelling derhalve al eerder in de procedure naar voren kunnen en moeten brengen.
subonderdeel 3.3, rechtens onjuist en/of behoefde dat nadere motivering.
en/ofde prijzen van de gestelde vergelijkingspanden [betrokkene 4] en [a-straat 1] in de vraagstelling zouden zijn betrokken, het hof het aannemelijk acht dat prof. Snijders dan met het (hogere) bod van PBO wel rekening zou hebben gehouden en dat prof. Snijders niet hetzelfde oordeel zou hebben gehad. De in rechtsoverweging 9 genoemde omstandigheid dat [verweerder] bij pleidooi in hoger beroep heeft gesteld dat [betrokkene 3] nog steeds belangstelling heeft voor het pand zou dus maar ten dele dragend kunnen zijn voor het (eind)oordeel van het hof in rechtsoverweging 11 dat niet gezegd kan worden dat [verweerder] geen nadeel heeft gehad van de taxatie.
in de schadestaatprocedure. In de onderhavige procedure over de vernietiging van het bindend advies gaat het echter om een andere vraag. Het kader van de procedure na cassatie en verwijzing is bepaald door het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beide bindend adviseurs prof. Snijders als deskundige hebben ingeschakeld om hun te adviseren over de kwestie die partijen bij uitstek verdeeld hield, te weten of bij de vaststelling van de waarde van het perceel rekening moest worden gehouden met het, in vergelijking tot de waarde die de bindend adviseurs in het aan partijen voorgelegde tweede concept reeds hadden bepaald, veel hogere bod van PBO en dat het essentiële beginsel van hoor en wederhoor dan meebrengt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren gehouden partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraagstelling aan en de bevindingen van prof. Snijders alvorens definitief bindend te adviseren (rov. 3.3.3). Volgens de Hoge Raad zal na verwijzing alsnog aan de orde kunnen komen het verweer van ’t Sleyk c.s., kort gezegd, dat [verweerder] door het vorenbedoelde gebrek in de totstandkoming van het bindend advies geen nadeel is toegebracht (rov. 3.5). Daarover zeggen ’t Sleyk c.s. niets, althans niet essentieels.