Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof heeft miskend dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert.
tweede middelhoudt in dat het Hof door de vordering tot wijziging van de tenlastelegging te honoreren, heeft miskend dat door die wijziging de tenlastelegging een ander feit ging betreffen in de zin van art. 68 Sr Pro dan het feit dat de verdachte oorspronkelijk was tenlastegelegd, alsmede dat die wijziging betekent dat de bescherming die art. 181 lid 3 WVW Pro 1994 aan de verdachte biedt geen reële betekenis kon hebben.
(i) of de verwantschap tussen de verschillende delictsomschrijvingen waarop de oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan zijn toegesneden, mede in aanmerking genomen of de strekking van de verschillende delictsomschrijvingen niet wezenlijk uiteenloopt, van zodanige aard is, en tevens
(ii) of de in die oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging daarvan verweten gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat de gedachte achter de in art. 313, tweede lid, Sv opgenomen beperking, die naar art. 68 Sr Pro verwijst, meebrengt dat de gevorderde wijziging toelaatbaar is.
(…)
Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien de tenlasteleggingen respectievelijk de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, indien de eigenaar of houder:
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt, tenzij anders blijkt, met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het in artikel 20, eerste lid, onder f, bedoelde register van opgegeven kentekens, als eigenaar of houder beschouwd degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het feit in dat register was ingeschreven.”
derde middelricht zich tegen hetgeen het Hof ter verwerping van een verweer heeft overwogen over de bruikbaarheid van het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant] voor het bewijs.
De foto’s bewijzen niets
Voorafgaand aan de overige verweren
vierde middelricht zich tegen de hiervoor onder 35 aangehaalde overweging van het Hof.
vijfde middelklaagt over de onbegrijpelijkheid van de verwerping van het verweer, dat niet duidelijk is of de ijking nog geldig was.
zesde middelklaagt over de verwerping van het verweer dat niet valt uit te sluiten dat het gebruikte meetapparaat een foutmarge van 5% heeft.
zevende middelhoudt in dat het Hof een verkeerde verdeling van de bewijslast aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd omdat het heeft overwogen dat ervan uit moeten worden gegaan dat de verbalisant beëdigd, aangesteld en gecertificeerd was totdat de verdachte overtuigend heeft aangetoond dat dat niet het geval is.