Conclusie
Feiten en procesverloop
at [verweerder] op de mededeling van [betrokkene] van 23 juli 2003 – er wordt inzake de financieringsaanvraag van [eisers] een offerte uitgebracht – mocht afgaan, temeer nu hij eerdergenoemd e-mailbericht van 23 juli 2003 aan [betrokkene], inhoudende een bevestiging van de mededeling dat op de aanvraag van [eisers] fiat is verleend ook aan de ISD( [3] )in kopie had gestuurd en daarop noch door [betrokkene] c.q. het rayonkantoor Almere Stad, noch door de ISD is gereageerd/[verweerder] kenbaar is gemaakt dat de inhoud van het e-mailbericht onjuist was.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Naar aanleiding van een hypotheekaanvraag werd een offerte door een medewerker van de bank gemaakt die door een ander moest worden gefiatteerd. Gefiatteerde offertes werden door medewerkers van de SNS Bank ter kennis gebracht van de klanten. Dat behoorde tot het werk van [betrokkene]”. Daarop laat het hof in rov. 3.9.4 volgen:
“Het hof is van oordeel dat uit deze verklaringen – in onderling verband en samenhang beschouwd – kan worden afgeleid dat [betrokkene] voor [verweerder] de contactpersoon bij de SNS Bank was en dat [betrokkene] [verweerder] informeerde over de gefiatteerde offertes, uitgebracht naar aanleiding van door [verweerder] ingediende financieringsaanvragen. [verweerder] mocht dan ook in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, afgaan op de mededelingen van [betrokkene].”Het hof onderzoekt nog of een en ander ook opgaat voor de periode na medio februari 2003. Vanaf dat tijdstip behoorden immers alle hypotheekaanvragen niet meer naar rayonkantoren te worden gestuurd maar naar de ISD. [verweerder] was daarvan op de hoogte. Op grond van wat uit verklaringen over de gang van zaken betreffende hypotheekaanvragen na februari 2003 blijkt, concludeert het hof in rov. 3.10.3 evenwel:
“(…) dat [verweerder] ervan heeft kunnen en mogen uitgaan dat inzake de financieringsaanvraag van [eisers] het rayonkantoor Almere Stad bevoegd was. Dat brengt mee, gelet op het hiervoor onder 3.9.4 overwogene en het feit dat de financieringsaanvraag van [eisers] een rayonaffaire was, dat [verweerder] op de mededeling van Willems van 23 juli 2003 – er wordt inzake de financieringsaanvraag van [eisers] een offerte uitgebracht – mocht afgaan, temeer nu hij eerdergenoemd e-mailbericht van 23 juli 2003 aan [betrokkene], inhoudende een bevestiging van de mededeling dat op de aanvraag van [eisers] fiat is verleend ook aan de ISD in kopie had gestuurd en daarop noch door [betrokkene] c.q. het rayonkantoor Almere Stad, noch door de ISD is gereageerd/[verweerder] kenbaar is gemaakt dat de inhoud van het e-mailbericht onjuist was.”Een en ander voert het hof tot de slotsom dat [verweerder] op de uitlating van 23 juli 2003 van [betrokkene] heeft mogen afgaan en door dat te doen – en niet nog nader onderzoek naar het akkoord van de Bank te doen – niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Deze slotsom is in het licht van de eerdere vaststellingen van het hof op basis van de getuigenverklaringen niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing komt die slotsom in cassatie niet in aanmerking, omdat zij en de gronden waarop zij rust een geheel van oordelen van feitelijke aard vormen.