Eiseres vordert betaling van een factuur uit mei 2006 voor accountantswerkzaamheden uit 2004 en 2005, stellende dat deze werkzaamheden later zouden worden gefactureerd. Verweerster betwist dit en stelt dat de werkzaamheden reeds via kwartaaldeclaraties zijn gefactureerd en betaald. De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof bevestigde dit oordeel en wees de stellingen en producties van eiseres als ongeloofwaardig af, mede vanwege ongerijmdheden in de verklaringen en documenten.
Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op het feit dat een opdrachtbevestiging pas in appel werd overgelegd zonder aannemelijke verklaring, en dat verklaringen van betrokkenen niet strookten met eerdere documenten en memo’s. Eiseres stelde dat het hof getuigen had moeten horen, maar het hof vond dat dit geen afbreuk deed aan de ongeloofwaardigheid van de stellingen, omdat de getuigenverklaringen zelf onderdeel waren van de ongeloofwaardige producties.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn feitenoordeel niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd en dat het hof terecht het bewijsaanbod van eiseres als onvoldoende specifiek en relevant heeft gepasseerd. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn en het oordeel van het hof standhoudt.