Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
iederbrandstofbesparend effect ontberen” (cursivering toegevoegd).
nietvoldoen van de “Savers”.
konweten en
op dat moment ook nog niet (objectief) bekendwas of de twijfel wel of niet gegrond was” (rov. 3.6 en 3.7 met ampele motivering; cursiveringen toegevoegd). Dat oordeel wordt als zodanig in cassatie niet bestreden.
4.Bespreking cassatiemiddel
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 3.6-3.7 en het daaropvolgende oordeel in rov. 3.8 en 3.13. Het kant zich met name tegen het volgende oordeel van het Hof in rov. 3.8:
non-conformiteit. Dat de geëerde steller hiervan uitgaat, valt onder meer af te leiden uit hetgeen in het onderdeel onder 7 en vooral 8 te berde wordt gebracht; zie ook de s.t. onder 25.
non-conformiteit. Als het Hof al een oordeel over de al dan niet conformiteit heeft geveld, dan is het er vanuit gegaan dat sprake was van conformiteit.
geensprake was. Zou sprake zijn geweest van non-conformiteit, dan zou ook niet aanstonds duidelijk zijn geweest waarom Impro “een deel van de schade zelf moet dragen”, zoals is te lezen in rov. 3.8 en wederom rov. 3.12.
in het midden laatof al dan niet sprake is van non-conformiteit.
partij-standpunt. Belangrijker is dat het Hof onderscheid maakt tussen de situatie ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en die na het tijdstip waarop duidelijk is geworden dat de “Fuel Savers”
in het geheelgeen brandstof bespaarden. Uit het vervolg van het arrest valt op te maken dat het Hof de verwerping van het standpunt van KTDC niet grondt op al dan niet conformiteit, maar op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals hierna nader wordt uitgewerkt.
in het geheel niet functioneerdete verplichten tot
langdurige afnamevan
een groot aantal waardelozeproducten. Daarom komt ook de
aanzienlijkevordering van KTDC tot vergoeding van pretense schade als gevolg van de niet-afname niet voor toewijzing in aanmerking.
tweede onderdeelkomt op tegen ’s Hofs oordeel in rov. 3.12 en 3.13 dat het onder de genoemde omstandigheden, gebruik willen maken door KTDC van haar contractuele recht op verdere nakoming en/of het vorderen van schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat de door KTDC ingestelde reconventionele vordering daarom dient te worden afgewezen. Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn. Met zijn oordeel heeft het Hof immers miskend dat de vraag of de vordering van KTDC tot nakoming en/of schadevergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Het Hof zou in zijn oordeel ten onrechte niet hebben betrokken de tussen partijen vaststaande relevante omstandigheid dat Impro wist of redelijkerwijs bekend was met het ontbreken van de brandstofbesparende werking van de “Fuel Savers”, althans de omstandigheid (zie rov. 3.8 van het Hof, bovenaan) dat Impro twijfelde aan het brandstofbesparend effect daarvan, waaruit weer volgt dat Impro bekend was, althans redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, met het ontbreken van derzelver brandstofbesparend effect.
lateronderzoek uitwees dat het ten deze gaat om volstrekt waardeloze producten. Het onderdeel voert – m.i. terecht – niet aan dat, laat staan dat het uitlegt waarom, ’s Hofs wél gevelde oordeel de toets der kritiek niet zou kunnen doorstaan. [10] Het vindt daarin zijn Waterloo.
heeftgedaan (dat evenwel nog niet tot definitieve resultaten had geleid ten tijde van het aangaan van de overeenkomst), terwijl de verkoper – naar ik graag wil aannemen: te goeder trouw – onjuiste mededelingen heeft gedaan die de koper allicht over de streep hebben getrokken. [12]
alleenbeslissend geacht, laat staan wat de verkoper zou hebben gezegd.
laterkomen
vaststaanvan de
volledige onbruikbaarheidvan de producten. [13]