ECLI:NL:PHR:2013:1105

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2013
Publicatiedatum
31 oktober 2013
Zaaknummer
12/04371
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlanderschap geweigerd wegens identiteitsfraude met valse persoonsgegevens

Verzoeker diende een verzoek in tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN), stellende dat hem bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997 het Nederlanderschap was verleend. De Immigratie- en Naturalisatiedienst stelde dat verzoeker gebruik had gemaakt van valse persoonsgegevens en dat hij niet de persoon was aan wie het Nederlanderschap was verleend.

De rechtbank ’s-Gravenhage wees het verzoek af op basis van onderzoek waaruit bleek dat de geboorte van verzoeker niet was geregistreerd in de Britse geboorteregisters en dat de overgelegde geboorteakte niet authentiek kon zijn. Tevens was vastgesteld dat de ondertekenaar van de geboorteakte op het moment van ondertekening nog een kind was, waardoor de akte onmogelijk geldig kon zijn.

Verzoeker ging in cassatie tegen deze afwijzing, stellende dat de rechtbank de bewijslast had miskend en onvoldoende rekening had gehouden met zijn kanttekeningen bij het onderzoek. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake was van identiteitsfraude en dat het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap terecht was afgewezen.

De Hoge Raad besloot de zaak met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro af te doen met een verkorte conclusie, zonder verdere behandeling van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap is afgewezen wegens gebruik van valse persoonsgegevens en identiteitsfraude.

Conclusie

12/04371
Mr. P. Vlas
Zitting, 25 oktober 2013
Conclusie inzake:
[verzoeker]
(hierna: verzoeker)
tegen
de Staat der Nederlanden, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst
(hierna: de Staat)
1. Het gaat in deze nationaliteitszaak om een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN). Naar mijn mening komt de zaak in aanmerking voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1] Verzoeker is op 18 januari 1992 Nederland ingereisd. Hij was daarbij in het bezit van een Brits paspoort op naam van [verzoeker], afgegeven te Liverpool op 20 augustus 1987. Tevens was hij in het bezit van een gewaarmerkte kopie van de inschrijving van de geboorte van [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedatum] 1956, afgegeven door de Britse autoriteiten op 9 februari 1956.
3. Bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997 is op verzoek van verzoeker aan [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats], het Nederlanderschap verleend.
4. Bij brief van 18 maart 2009 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan de raadsman van verzoeker bericht van oordeel te zijn dat verzoeker het Nederlanderschap niet heeft verkregen, omdat hij gebruik heeft gemaakt van valse persoonsgegevens. Nadat verzoeker in zijn tegen deze beslissing ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de bestuursrechter het door verzoeker daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 17 februari 2010 ongegrond verklaard.
5. Verzoeker heeft zich gewend tot de rechtbank met het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN Pro. Hij houdt staande dat hij [verzoeker] is en dat aan hem bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997 het Nederlanderschap is verleend. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker een andere persoon is dan [verzoeker].
6. Bij beschikking van 7 juni 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft gewezen op de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0054, NJ 2007/551, m.nt. G.R. de Groot, waarin is beslist dat een vóór 1 april 2003 verleend naturalisatiebesluit dat berust op valse of fictieve persoonsgegevens geen rechtsgevolg heeft behoudens bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of verzoeker de persoon is aan wie bij Koninklijk Besluit van 2 augustus 1997 met de personalia [verzoeker] het Nederlanderschap is verleend. Op grond van de in rov. 5.2 t/m 5.5 van de beschikking genoemde omstandigheden heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat verzoeker niet [verzoeker] is aan wie het Nederlanderschap is verleend en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden.
7. Tegen deze beschikking is door verzoeker tijdig cassatieberoep aangetekend. De Staat heeft verweer gevoerd.
8. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen (1 t/m 3).
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.3, waarin de rechtbank heeft overwogen dat uit onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Groot-Brittannië is gebleken dat geen registratie van de geboorte van [verzoeker] op [geboortedatum] 1956 is aangetroffen in de geboorteregisters van Engeland en Wales over het eerste en tweede kwartaal van 1956 en dat verzoeker voor het ontbreken van deze inschrijving geen verklaring heeft. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de kanttekeningen die verzoeker heeft geplaatst bij het ingestelde onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en voorts dat de rechtbank de bewijslast met betrekking tot de gestelde identiteitsfraude heeft miskend. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Het oordeel van de rechtbank omtrent de identiteitsfraude is op verschillende gronden gebaseerd, te weten i) de – door de Staat in het geding gebrachte – bevindingen van de British High Commission te Islamabad (rov. 5.2), ii) het – eveneens door de Staat in het geding gebrachte – onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Groot-Brittannië (rov. 5.3 en 5.5) en iii) het – door verzoeker in het geding gebrachte – ‘Certified Copy of an Entry of Birth’ (rov. 5.4). Op grond van deze stukken heeft de rechtbank kunnen oordelen dat sprake is van identiteitsfraude, te meer omdat verzoeker het door de Staat ingenomen en met stukken gestaafde standpunt onvoldoende (met stukken) heeft ontzenuwd. In cassatie heeft verzoeker geen klacht gericht tegen de hiervoor onder i) vermelde grond.
9.
Onderdeel 2keert zich tegen rov. 5.4 waarin de rechtbank geen bewijskracht toekent aan de door verzoeker overgelegde ‘Certified Copy of an Entry of Birth’. De hiertegen gerichte klacht kan niet tot cassatie leiden omdat de enkele door verzoeker genoemde doch verder niet onderbouwde mogelijkheid van hernummering van de overgelegde geboorteakte onvoldoende is om voorbij te gaan aan de bevindingen van het Verification Team van de General Register Office in Southport dat geen registratie van de geboorte van [verzoeker] is aangetroffen in de geboorteregisters van Engeland en Wales.
10.
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 5.5, waarin de rechtbank heeft overwogen dat uit het voormelde onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is gebleken dat de persoon die het certificate op 9 februari 1956 heeft ondertekend in het registratiedistrict Lancashire weliswaar bekend is als ‘registrar’, maar dat zij op de genoemde datum nog een kind was en de akte onmogelijk in 1956 als ‘registrar’ kan hebben ondertekend. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank niet zonder meer heeft kunnen uitgaan van deze mededeling in het onderzoeksrapport. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat de bestreden beschikking ook bij het slagen van dit onderdeel in stand zal kunnen blijven.
11. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 2.1 en 2.2 van de bestreden beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juni 2012.