Conclusie
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.3, waarin de rechtbank heeft overwogen dat uit onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Groot-Brittannië is gebleken dat geen registratie van de geboorte van [verzoeker] op [geboortedatum] 1956 is aangetroffen in de geboorteregisters van Engeland en Wales over het eerste en tweede kwartaal van 1956 en dat verzoeker voor het ontbreken van deze inschrijving geen verklaring heeft. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de kanttekeningen die verzoeker heeft geplaatst bij het ingestelde onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en voorts dat de rechtbank de bewijslast met betrekking tot de gestelde identiteitsfraude heeft miskend. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Het oordeel van de rechtbank omtrent de identiteitsfraude is op verschillende gronden gebaseerd, te weten i) de – door de Staat in het geding gebrachte – bevindingen van de British High Commission te Islamabad (rov. 5.2), ii) het – eveneens door de Staat in het geding gebrachte – onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Groot-Brittannië (rov. 5.3 en 5.5) en iii) het – door verzoeker in het geding gebrachte – ‘Certified Copy of an Entry of Birth’ (rov. 5.4). Op grond van deze stukken heeft de rechtbank kunnen oordelen dat sprake is van identiteitsfraude, te meer omdat verzoeker het door de Staat ingenomen en met stukken gestaafde standpunt onvoldoende (met stukken) heeft ontzenuwd. In cassatie heeft verzoeker geen klacht gericht tegen de hiervoor onder i) vermelde grond.
Onderdeel 2keert zich tegen rov. 5.4 waarin de rechtbank geen bewijskracht toekent aan de door verzoeker overgelegde ‘Certified Copy of an Entry of Birth’. De hiertegen gerichte klacht kan niet tot cassatie leiden omdat de enkele door verzoeker genoemde doch verder niet onderbouwde mogelijkheid van hernummering van de overgelegde geboorteakte onvoldoende is om voorbij te gaan aan de bevindingen van het Verification Team van de General Register Office in Southport dat geen registratie van de geboorte van [verzoeker] is aangetroffen in de geboorteregisters van Engeland en Wales.
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 5.5, waarin de rechtbank heeft overwogen dat uit het voormelde onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is gebleken dat de persoon die het certificate op 9 februari 1956 heeft ondertekend in het registratiedistrict Lancashire weliswaar bekend is als ‘registrar’, maar dat zij op de genoemde datum nog een kind was en de akte onmogelijk in 1956 als ‘registrar’ kan hebben ondertekend. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank niet zonder meer heeft kunnen uitgaan van deze mededeling in het onderzoeksrapport. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat de bestreden beschikking ook bij het slagen van dit onderdeel in stand zal kunnen blijven.