Conclusie
(1.880.000)
568
negatiefbedrag van € 629.000,-.
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
subonderdeel 1.1), alsmede tegen het oordeel dat Magista’s vrije reserves in werkelijkheid € 629.000,- negatief waren (
subonderdeel 1.2). Het hof ziet er volgens het onderdeel aan voorbij dat de lening van Rabobank aan Magista van in totaal € 1.150.000,- geldt als vreemd vermogen (of schuld in de zin van art. 2:364 lid 4 en Pro 2:375 BW) van Magista. Noch het aangaan van die lening noch de wijze waarop het door die lening verkregen vermogen binnen de onderneming wordt aangewend heeft (daarom) (op zichzelf) invloed op de omvang van het eigen vermogen van de onderneming die de lening aangaat (Magista) en is (dus) evenmin (zonder meer) van (negatieve) invloed op de omvang van (de in gevolge art. 2:373 sub f en Pro g BW van het eigen vermogen onderdeel uitmakende) overige (vrij uitkeerbare) reserves. Het feit dat het aangetrokken vreemd vermogen wordt aangewend ten behoeve van een lening aan een derde (Sansto) (en het geleende bedrag direct aan de verantwoordelijk notaris wordt betaald) doet daaraan (dus ook) niet af. Als gevolg daarvan ontstaat immers een even grote (zo niet grotere) – met vreemd vermogen gefinancierde – vordering op die derde. Onjuist, althans onbegrijpelijk, is het feit dat het hof de geprognosticeerde winst van € 47.000,- niet bij de vaststelling van de vrij uitkeerbare reserves heeft betrokken. Daarmee ziet het hof eraan voorbij dat die winst ten gunste komt van het eigen vermogen en dus een verhoging van het eigen vermogen (en daarmee de vrij uitkeerbare reserves) tot gevolg heeft, althans zou hebben. Als gevolg van de kwijtschelding van de schuld van € 2.371.000,- en de geprognosticeerde winst van € 47.000,- beschikte Magista volgens het onderdeel per 31 maart 2005 over vrij uitkeerbare reserves van (€ 295.000 + € 2.371.000,-) -/- (€ 1.361.000,- -/- 784.000,-) = € 521.000,- exclusief geprognosticeerde winst en (€ 521.000,- + € 47.000,- =) € 568.000,- inclusief geprognosticeerde winst (zoals Ernst & Young met juistheid heeft berekend), zodat art. 2:207c lid 2 BW niet aan Magista’s lening van € 500.000,- aan Sansto in de weg stond.
subonderdeel 2.1). Het hof zou niet op begrijpelijke wijze gerespondeerd op Sansto c.s.’ in MvA §43 ontwikkelde betoog, althans heeft het een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de processtukken (
subonderdeel 2.2).
subonderdeel 3.1). Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het hof met zijn oordeel dat Sansto c.s. haar stelling niet met voldoende relevante feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen te hoge eisen gesteld aan Sansto c.s.’ betwistingslast ter zake. Het hof had Sansto c.s. in dat kader daarom ten minste moeten toelaten tot het algemene in CvA § 134 en MvA § 174 gedane (tegen)bewijsaanbod van die stellingen (
subonderdeel 3.2)
subonderdelen van onderdeel 4kunnen buiten bespreking blijven, omdat deze ervan uitgaan dat subonderdeel 4.1. niet slaagt.
Subonderdelen 5.1 en 5.2lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Subonderdeel 5.1 betoogt dat het hof door [eiser 2] mede hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de resterende rekening-courantschuld (r.o. 62 en dictum) heeft miskend dat een (geldleen)overeenkomst of rekening-courantverhouding slechts verbintenissen schept tussen degenen die bij die (geldleen)-overeenkomst of rekening-courant partij zijn. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel volgens subonderdeel 5.2 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, althans de grenzen van de rechtsstrijd overtreden, nu (i) het hof nergens heeft vastgesteld dat [eiser 2] partij was bij de rekening-courantverhouding of de tussen Magista en Sansto tot stand gekomen (geldleen)overeenkomst, (ii) het hof in r.o. 10 zelf heeft vastgesteld dat de rekening-courantverhouding (enkel) tussen Magista en Sansto is gecreëerd en (iii) tussen partijen in confesso is dat de lening door Magista enkel aan Sansto is verstrekt.
subonderdelen 5.3 en 5.4lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Subonderdeel 5.3 betoogt dat voor zover het hof [eiser 2] en Sansto op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft veroordeeld in een reeds bij voorbaat begroot/geraamd gedeelte van het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan ("het tekort"), heeft het hof miskend dat art. 2:248 BW Pro een veroordeling in zo’n bij voorbaat begroot/geraamd bedrag – behoudens voor zover het een matiging ten opzichte van het globaal bekende tekort op de voet van lid 4 betreft – niet toestaat.
vestigingvan de aansprakelijkheid; de
omvangvan de aansprakelijkheid kan in de schadestaatprocedure nog worden gematigd op grond van het vierde lid van art. 2:248 BW Pro. Mij is geen rechtsregel bekend die aan deze wijze van veroordelen in de weg staat; het onderdeel noemt die overigens ook niet.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Onderdeel 1komt op tegen het oordeel dat Magista en Sansto een nieuwe managementovereenkomst hebben gesloten, gedateerd 10 maart 2006 en ingaande 1 april 2006. Het hof overweegt hierover aldus: