ECLI:NL:PHR:2013:112
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij hoofdverblijfplaats kinderen in Suriname
Deze zaak betreft een geschil tussen scheidende echtgenoten over de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kinderen. De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Suriname is, waar zij al ruim drie jaar onafgebroken verblijven bij de moeder, die geen intentie heeft om terug te keren naar Nederland. Hierdoor is de Nederlandse rechter onbevoegd om van het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats kennis te nemen vanwege geringe verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer.
Het hof onderschreef dit oordeel en baseerde zich mede op een brief van de vrouw die niet aan de man was toegezonden, wat aanleiding gaf tot een klacht over het niet naleven van het hoor en wederhoor-beginsel. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze klacht niet slaagt, omdat de betreffende opmerking van het hof niet dragend is voor het oordeel en de rechtbank reeds had vastgesteld dat de moeder geen intentie heeft terug te keren naar Nederland.
De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht de Nederlandse rechter onbevoegd heeft verklaard en dat het cassatieberoep verworpen moet worden. Er is geen aanleiding om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op te vragen, en er hoeven geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid te worden beantwoord.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Nederlandse rechter is onbevoegd verklaard wegens hoofdverblijfplaats kinderen in Suriname.