AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling of belediging via voicemail als mondelinge belediging in tegenwoordigheid geldt
In deze zaak is de verdachte door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor eenvoudige belediging wegens het inspreken van een beledigend voicemailbericht. Het hof oordeelde dat een belediging via voicemail kan worden aangemerkt als een mondelinge belediging in de tegenwoordigheid van het slachtoffer, ook al is het slachtoffer niet fysiek nabij en hoort het de belediging later.
De verdachte stelde cassatie in tegen deze uitleg van het hof, stellende dat de betekenis van "in zijn tegenwoordigheid" te ruim was opgevat en onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad overwoog dat het doel en de strekking van art. 266 SrPro meebrengen dat het inspreken van een beledigend voicemailbericht met de bedoeling dat het slachtoffer dit later hoort, gelijkgesteld kan worden aan een directe mondelinge belediging in diens tegenwoordigheid.
De Hoge Raad wees erop dat de wetgever bij het opstellen van art. 266 SrPro geen rekening kon houden met moderne communicatiemiddelen zoals voicemail. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de fysieke nabijheid niet vereist is en dat het opzet van de verdachte om het slachtoffer te beledigen doorslaggevend is. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een belediging via voicemail als mondelinge belediging in tegenwoordigheid geldt en verwerpt het cassatieberoep.
Conclusie
Nr. 12/00127
Zitting 10 september 2013
Mr. Jörg
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij arrest van 4 oktober 2011 is de verdachte door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens “Eenvoudige belediging” veroordeeld tot een geldboete van € 120,-, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.
3. Het middelklaagt dat het Hof een te ruime betekenis heeft toegekend aan de in de bewezenverklaring voorkomende woorden "in zijn tegenwoordigheid", althans dat het Hof zijn oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.
4. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“zij op 17 september 2009 te Tilburg opzettelijk beledigend [verbalisant 1], in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd “Vieze kankerhoer".”
5. Dat deze bewezenverklaring in voldoende mate steunt op de gebezigde bewijsmiddelen wordt niet betwist. Ik laat de bewijsvoering daarom onvermeld.
6. Het bestreden arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“Het hof is - met de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal - van oordeel dat het uiten van beledigende woorden per voicemail opgevat kan worden als het in iemands tegenwoordigheid mondeling beledigende woorden toevoegen. In de rechtspraak is eerder bepaald dat sprake is van een belediging in tegenwoordigheid van de beledigde indien per telefoon wordt beledigd (Rb. Amsterdam 18 december 1913, NJ 1914, 246). Door het inspreken van een voicemailbericht (met een beledigend karakter, zie hierna) heeft de verdachte kennelijk de vooropgezette bedoeling gehad om deze uitlatingen op een later moment te laten vernemen. Ook in dat geval is naar het oordeel van het hof sprake van belediging in tegenwoordigheid van de ontvanger: deze verneemt de woorden rechtstreeks van de belediger, zij het - vermoedelijk - na enig tijdsverloop.”
7. Art. 266, eerste lid Sr luidt:
“Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
8. Het middel stelt de vraag aan de orde of bij een belediging per voicemailbericht gesproken kan worden van een mondelinge belediging van een ander ‘in diens tegenwoordigheid’. Ten tijde van de totstandkoming van (de voorloper van) art. 266 SrPro heeft de wetgever met deze vraag vanzelfsprekend geen rekening kunnen houden.
9. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat het inspreken van een beledigend voicemailbericht met de kennelijke bedoeling om de ontvanger deze boodschap op een later moment te laten vernemen, gelijkgesteld kan worden aan een rechtstreekse belediging in iemands tegenwoordigheid, zolang het opzet van de verdachte maar is gericht op het beledigen van de persoon tegen wie hij de beledigende uiting richt.
10. Deze opvatting lijkt mij juist. Immers: “de tegenstelling tussen belediging in het openbaar en belediging door een toegezonden of aangeboden geschrift of mondeling in tegenwoordigheid van de beledigde heeft toch geen andere betekenis dan dat de belediging óf in het openbaar gedaan óf de beledigde persoonlijk toegevoegd moet zijn, en de bedoeling is blijkbaar enkel uitsluiting van strafbaarheid van een beledigend woord dat alleen tegenover een derde is geuit zonder het doel daaraan ruchtbaarheid te geven,” aldus NLR, aant. 3 bij art. 266 SrPro. Voor de vaststelling of een beledigende uiting in de tegenwoordigheid van het slachtoffer is gedaan maakt het in beginsel niet uit of het slachtoffer zich in de fysieke nabijheid van de belediger bevindt. Indien een beledigende uiting het slachtoffer via moderne communicatiemiddelen bereikt kan ook dan worden gesproken van een belediging ‘in zijn tegenwoordigheid’. [1] De omstandigheid dat daarbij in bepaalde gevallen – zoals in de onderhavige zaak - sprake kan zijn van enige vertraging tussen het uiten van de belediging en de kennisneming daarvan door het slachtoffer doet daaraan niet af.
11. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte kennelijk de bedoeling had dat het slachtoffer – zij het met enige vertraging – kennis zou nemen van haar op de voicemail van het slachtoffer ingesproken belediging, getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
12. Het middel faalt. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend A-G
Voetnoten
1.Vgl. HR 15 juni 1993, nr. 94.253 (ongepubliceerd).