Conclusie
eerste middelkomt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342, NJ 2012/518).
aanvankelijk(cursivering PV) in de woning ernstig bedreigd voelde, daar het slachtoffer een aantal eigendommen van de verdachte vernielde en
later(cursivering PV) op het moment dat er werd geroepen ‘pak je gun’, maar in de tussenliggende periode zich kennelijk niet ernstig bedreigd voelde. Terwijl voorts blijkens de pleitnota niet is aangevoerd dat de verdachte niet in staat is geweest zich rekenschap te geven over de betekenis ven de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Er is immers enkel aangevoerd dat de verdachte de situatie in het geheel niet heeft kunnen overzien, hetgeen zou blijken uit het feit dat de verdachte (de daden van) zijn vriendin niet heeft opgemerkt. Die omstandigheid impliceert echter niet zonder meer dat de verdachte (dus) in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld en er aldus geen sprake is geweest van voorbedachte raad.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.