Conclusie
Oplegging van straf
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van meermalen gepleegde oplichting. Het hof legde een werkstraf van 200 uur op met vervangende hechtenis van 100 dagen en gelastte teruggave van een in beslag genomen computer.
De verdediging klaagde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de straf hoger was dan die van de rechtbank en de vordering van de Advocaat-Generaal, met name omdat het hof niet had aangegeven welke straf het zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. Het hof had wel erkend dat de redelijke termijn was overschreden en dit meegewogen bij de strafoplegging, maar gaf geen nadere specificatie.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie dat bij strafvermindering wegens termijnoverschrijding expliciet moet worden vermeld welke straf zonder overschrijding zou zijn opgelegd. Het hof voldeed hier niet aan, waardoor de motivering van de strafoplegging onvoldoende is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug aan het hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe strafoplegging waarbij het hof de motivering dient te verbeteren en duidelijk dient aan te geven welke straf zonder termijnoverschrijding zou zijn opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging met voldoende motivering.