Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld het woord te voeren nadat de raadsman het woord heeft gevoerd. Het betreft het door de raadsman gevoerde preliminair verweer dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op het verweer zelf en de verwerping ervan door het Hof, wordt ingegaan bij de bespreking van het tweede middel.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het preliminair verweer heeft verworpen strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie wegens ‘diplomatieke onschendbaarheid’ van de verdachte. In het bijzonder stelt het middel de vraag aan de orde of de zendstaat op rechtsgeldige wijze afstand heeft gedaan van de aan de verdachte toekomende ‘immuniteit’.
Verdragskader
‘A diplomatic agent shall enjoy immunity from the criminal jurisdiction of the receiving State. He shall also enjoy immunity from its civil and administrative jurisdiction, except in the case of: […]’
Note Verbalegedateerd 21 april 2011 afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Bosnië-Herzegovina welke is gericht aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. De in de Engelse taal gestelde
Note Verbalehoudt onder meer het volgende in:
Note Verbalevan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van 15 april 2011 aangetroffen waarin wordt verzocht de immuniteit van de verdachte op te heffen, naar welk verzoek in de
Note Verbalevan Bosnië-Herzegovina wordt verwezen.
Note Verbale. [10] Het Hof heeft de
Note Verbaleniet onbegrijpelijk aangeduid als een nota. [11]
Note Verbale) ‘niet verduidelijkt of deze verband houdt met verzoekers strafzaak en evenmin of de afstand vervolging en berechting dan wel executie betreft’.
Note Verbalevan 21 april 2011 verklaart Bosnië-Herzegovina dat het ‘explicitly waives immunities’ van de verdachte. De afstand van immuniteit is ‘based on Article 32, paragraph 2, and relating to Article 37, paragraph 1 of the Vienna Convention on Diplomatic Relations’.
Note Verbalealdus uitgelegd dat de afstand van immuniteit die daarin wordt gedaan, betrekking heeft op de immuniteit van rechtsmacht in strafzaken. Gelet op de stand van het geding waarin de zaak zich bevond ten tijde van het verzoek om afstand van immuniteit te doen en het moment waarop afstand werd gedaan, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Op dat moment was de vraag aan de orde of de strafvervolging tegen de verdachte zou worden voortgezet. Van de tenuitvoerlegging van een vonnis kon op dat moment geen sprake zijn zodat het niet voor de hand ligt dat de afstand van immuniteit daarop betrekking had en niet op de immuniteit van rechtsmacht in strafzaken. Een bijkomend argument kan nog worden ontleend aan de verwijzing in de
Note Verbalenaar art. 32, tweede lid, Verdrag van Wenen 1961 terwijl niet wordt verwezen naar art. 32, vierde lid, Verdrag van Wenen 1961 dat in het bijzonder betrekking heeft op de immuniteit van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Hierbij past als kanttekening dat het niet verwijzen naar art. 32, vierde lid, Verdrag van Wenen 1961 ook kan samenhangen met het aan Bosnië-Herzegovina gedane verzoek.
derde middelheeft betrekking op de wijze waarop het Hof de identiteit van getuigen heeft vastgesteld en de wijze waarop de door die getuigen afgelegde verklaringen tot bewijs zijn gebezigd.