Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat, de verklaringen van aangever onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Volgens de steller van het middel valt dit verweer uiteen in twee onderdelen. Enerzijds wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever aangevochten op basis van innerlijke tegenstrijdigheden en inconsistenties in zijn verklaringen, anderzijds wordt de betrouwbaarheid aangevochten op basis van tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van aangever en de getuige [betrokkene 1]. Naar de mening van de steller van het middel is het Hof onvoldoende ingegaan op het tweede onderdeel van het gevoerde verweer.
tweede middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van “medeplegen” heeft gebaseerd op twee geweldmomenten, waarbij, naar het oordeel van de steller van het middel, het tweede geweldsmoment berust op een onbegrijpelijke feitelijke vaststelling waardoor het Hof de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd.
derde middelklaagt dat het Hof het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, dan wel dat het Hof deze beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.