ECLI:NL:PHR:2013:1134

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
5 november 2013
Zaaknummer
13/01363
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in zaak over voorbedachte raad en schadevergoeding

In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroep betrof onder meer de vraag of het handelen van verdachte het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, en de beoordeling van een posttraumatische stressstoornis. Het hof had geoordeeld dat niet was gebleken dat het handelen van verdachte voortkwam uit een plotselinge opwelling, maar dat woede mogelijk langer bestond.

Verder werd het beroep op het ontbreken van draagkracht bij de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen verworpen, mede omdat verdachte geen inzicht had gegeven in zijn vermogenspositie. De Hoge Raad overwoog dat het hof het gehele dossier had betrokken bij zijn oordeel en dat de middelen onvoldoende waren om tot cassatie te leiden.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. De conclusie werd uitgebracht door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 80a RO.

Conclusie

Nr. 13/01363
Zitting: 15 oktober 2013
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft mr. M.L.M. van der Voet tijdig verweerschriften ingediend tegen het namens verdachte voorgestelde derde middel.
2. Het
eerste middel, dat betrekking heeft op de onder 4. bewezenverklaarde voorbedachte raad, komt op tegen het oordeel van het Hof dat niet gebleken is dat het handelen van de verdachte het “onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging” was. Anders dan het middel wil doen geloven, heeft het Hof, dat overweegt dat van de bedoelde omstandigheid ook “overigens” niet is gebleken, niet miskend dat voor die feitelijke vaststelling “het gehele dossier” van belang is. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is voorts geen sprake, nu het feit dat niet gehandeld is als gevolg van een plotselinge opwelling, niet uitsluit dat gehandeld is uit (een reeds langer bestaande) woede.
3. Het
tweede middelberust op de onjuiste opvatting dat het Hof het bestaan van een posttraumatische stressstoornis slechts op basis van een oordeel van een psychiater kan vaststellen. Nu de vordering van de benadeelde partij door of namens de verdachte niet is betwist, behoefde het oordeel van het Hof op dit punt geen nadere motivering.
4. Het
derde middel, dat erover klaagt dat het Hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen het beroep op het ontbreken van draagkracht heeft verworpen, faalt reeds omdat het eraan voorbijziet dat het Hof ook heeft overwogen dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie.
5. Een en ander brengt mee dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
6. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG