Conclusie
eerste middel, dat betrekking heeft op de onder 4. bewezenverklaarde voorbedachte raad, komt op tegen het oordeel van het Hof dat niet gebleken is dat het handelen van de verdachte het “onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging” was. Anders dan het middel wil doen geloven, heeft het Hof, dat overweegt dat van de bedoelde omstandigheid ook “overigens” niet is gebleken, niet miskend dat voor die feitelijke vaststelling “het gehele dossier” van belang is. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is voorts geen sprake, nu het feit dat niet gehandeld is als gevolg van een plotselinge opwelling, niet uitsluit dat gehandeld is uit (een reeds langer bestaande) woede.
tweede middelberust op de onjuiste opvatting dat het Hof het bestaan van een posttraumatische stressstoornis slechts op basis van een oordeel van een psychiater kan vaststellen. Nu de vordering van de benadeelde partij door of namens de verdachte niet is betwist, behoefde het oordeel van het Hof op dit punt geen nadere motivering.
derde middel, dat erover klaagt dat het Hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen het beroep op het ontbreken van draagkracht heeft verworpen, faalt reeds omdat het eraan voorbijziet dat het Hof ook heeft overwogen dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie.