Conclusie
1.Voorgeschiedenis
dat[verzoekers tot cassatie]
, nu zij onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun totale schuldenlast en voorts onvoldoende toelichting hebben gegeven op het ontstaan van al die schulden, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden. Daarbij komt dat[verzoekers tot cassatie]
onvoldoende hebben verklaard waarom hen geen verwijt treft tot de onderverzekering van hun vishandel. Reeds op grond van al het bovenstaande kunnen[verzoekers tot cassatie]
niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling(rov. 3.5)
. Het hof is voorts van oordeel dat[verzoekers tot cassatie]
onvoldoende hebben aangevoerd om hen thans op grond van de hardheidsclausule van artikel 285 lid 3 Fw Pro al wel toe te laten tot de schuldsaneringsregeling(rov. 3.6)
.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
cassatiemiddel Iwordt in verband met het oordeel van het hof in rov. 3.4 dat verzoekers tot cassatie onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun CIJB-schuld, aangevoerd dat zij in de onmogelijkheid zijn geweest om de benodigde gegevens aan te voeren, omdat de rechtbank heeft nagelaten hen opnieuw voor een mondelinge behandeling op te roepen toen zij niet op de zitting van 25 juni 2013 waren verschenen. Deze klacht faalt. Te dezen is beslissend of verzoekers tot cassatie in appel, waar de vraag van de goede trouw opnieuw aan de orde was, voldoende in de gelegenheid zijn geweest om de vereiste gegevens te verstrekken. Dat dat niet het geval zou zijn geweest, kan niet reeds worden aangenomen op grond van het feit dat de rechtbank heeft nagelaten verzoekers tot cassatie opnieuw voor een mondelinge behandeling op te roepen, nadat zij niet op de voor 25 juni 2013 bepaalde mondelinge behandeling waren verschenen. Er is op 11 juli 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarin reeds te kennen werd gegeven dat verzoekers tot cassatie onvoldoende hun goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun CIJB-schuld aannemelijk hadden gemaakt, terwijl de mondelinge behandeling bij het hof op 12 september 2013 plaatsvond. Er was in die periode van twee maanden gelegenheid om aanvullende informatie te verstrekken. Van die gelegenheid is door verzoekers tot cassatie ook gebruik gemaakt. Op 2 september 2013 is een brief naar het hof gezonden met een toelichting op de gronden van het beroep. Daarin wordt ook de CIJB-schuld ter sprake gebracht. Dat men meer tijd nodig had om in verband met die schuld relevante informatie te vergaren, wordt in die brief niet vermeld en is ook tijdens de mondelinge behandeling niet naar voren gebracht. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt daarvan in ieder geval niet.
cassatiemiddel IIworden de rov. 3.5 en 3.6 bestreden. Voor zover ook hier weer ten betoge dat er geen sprake is geweest van een eerlijke procesgang een beroep wordt gedaan op het feit dat de rechtbank heeft nagelaten verzoekers tot cassatie opnieuw voor een mondelinge behandeling op te roepen nadat zij niet op de voor 25 juni 2013 bepaalde mondelinge behandeling waren verschenen, strandt dat beroep om dezelfde reden als hiervoor bij de bespreking van cassatiemiddel I vermeld.