Conclusie
1. Inleiding en procesverloop
- Diesel of Difsa met het hiervoor in 3.1 (iii) geciteerde art. 1.4 van de overeenkomst van 29 september 1994 tussen Difsa en Flexi Casual, niet de bedoeling had aan Flexi Casual respectievelijk Cosmos een algemeen recht te geven tot het (op grote schaal) op de markt brengen van schoenen met het merk Diesel;
- Makro c.s. niet hebben mogen begrijpen dat Flexi Casual respectievelijk Cosmos dit recht wel aan die overeenkomst kon ontlenen;
- voorzover Flexi Casual aan de hiervoor in 3.1 (iv) vermelde machtiging meer rechten kan ontlenen dan aan de overeenkomst van 29 september 1994, daaruit niet voortvloeit dat zij of Cosmos een algemeen recht tot het produceren van schoenen met het DIESEL-woordmerk hadden.
Enkele overwegingen uit het Haagse arrest a quo van 31 januari 2012
Copadgenoemde, aan artikel 8 lid 2 van Pro de Merkenrichtlijn ontleende gronden, waaraan de HR heeft toegevoegd dat de bewijslast ter zake van deze uitzondering in beginsel op Diesel rust.’
IHT Danziger/Ideal Standard, Makro zich niet met vrucht op uitputting kan beroepen, en dat zij door het verhandelen van die schoenen bijgevolg merkinbreuk heeft gepleegd. […]’
4. Bespreking van het cassatiemiddel
klachtenvan het cassatiemiddel worden naar voren gebracht in de onderdelen 2.1 t/m 2.10.
onderdeel 2.1is te vinden in
(sub-)onderdeel 2.1.2(op blz. 12 bovenaan van de cassatiedagvaarding). Volgens deze klacht had het Haagse hof, wat de onderhavige zaak betreft, in het licht van het Copad-arrest en artikel 8 lid 2 van Pro de Merkenrichtlijn
(slechts)moeten onderzoeken:
(sub-)onderdeel 2.1.3 onder (i)– het hof in rov. 12 en rov. 13 (dan ook) miskend dat noch de omstandigheid dat het om
proefmodellen voor testverkopenzou gaan die aan Diesel zouden moeten worden voorgelegd, noch de omstandigheid dat eventueel nadere voorafgaande toestemming door Diesel zou vereist zijn, noch de omstandigheid dat grotere aantallen schoenen vervaardigd en in het verkeer gebracht zouden zijn dan waarvoor Diesel toestemming zou hebben gegeven, een grond oplevert die onder art. 8 lid 2 MRl Pro valt. Er was immers sprake van een licentie voor de warencategorie ‘schoeisel’. Evenzo heeft het hof – volgens (nog steeds) (sub-)onderdeel 2.1.3 onder (i) (op blz. 16) – in rov. 14 en rov. 15 (dan ook) miskend dat de vragen (i) of het voorleggen ter beoordeling van schoenen krachtens artikel 1.4 alleen zou gelden voor proefpartijen en niet voor het ‘op grote schaal op de markt brengen’ en (ii) of het al dan niet ter fiattering voorleggen aan Diesel of Difsa relevant zou zijn, niet van belang zijn voor de vraag of Cosmos in strijd met een bepaling in de zin van art. 8 lid 2 MRl Pro heeft gehandeld.
(sub-)onderdeel 2.1.6 onder (i).
(sub-)onderdeel 2.1.3 onder (ii)heeft het hof in rov. 13 miskend dat in casu niet gesteld of gebleken is dat de betreffende schoenen van een inferieure
kwaliteitzouden zijn, dan wel dat indien deze schoenen aan Diesel zouden zijn voorgelegd Diesel geen toestemming zou hebben gegeven of toestemming zou hebben mogen onthouden vanwege de kwaliteit van de schoenen.
(Sub-)onderdeel 2.1.3 onder (iii)brengt naar voren dat de uitzonderingen van art. 8 lid 2 MRl Pro strikt geïnterpreteerd dienen te worden.
gegevenis, roepen de klachten de vraag op, of het hof in rov. 13
- uit zijn oordeel dat de toestemming beperkt was tot ‘het bij wijze van monsterneming en marktverkenning vervaardigen en distribueren van schoenen van eigen ontwerp’, en/of
- uit zijn oordeel dat Flexi Casual ‘de resultaten van de testverkopen […] eerst aan Diesel [moest] hebben voorgelegd, zodat Diesel/Difsa de kwaliteit daarvan kan controleren’ voordat zij ‘van het merk DIESEL voorziene schoenen van eigen makelij mag gaan vervaardigen/ distribueren’
de waren […] waarvoor de licentie is verleend’ en(/of) ‘
inzake de kwaliteit van de door de licentienemer vervaardigde waren’, als bedoeld in art. 8 lid 2 MRl Pro.
- door ‘op grote schaal door haar zelf vervaardigde schoenen van het merk Diesel in Spanje in de handel [te brengen]’
- door het ‘niet ter fiattering voorleggen aan Diesel of Difsa’, zo lang niet (door Diesel) gesteld is of gebleken is dat de door Cosmos in het verkeer gebrachte schoenen afwijken van kwaliteitseisen die Diesel heeft gesteld of redelijkerwijze kon stellen
- b] of het hierbij gaat om (een) bepaling(en) die overeenkomt/overeenkomen met een van de in artikel 8, lid 2, van de Merkenrichtlijn bedoelde gronden, en zo ja
- c] of Flexi Casual door schoenen met het merk DIESEL in het verkeer te brengen in strijd met deze bepaling(en) heeft gehandeld.’
minor(es)in de onderhavige overeenkomst(en), en [b] vergelijking daarvan met de
maioresin art. 8 lid 2 MRl Pro, om daarmee [c] tot de conclusie te geraken.
minores’), niet ‘één op één’ samenvallen met de omschrijvingen van de in nr. 4.8.2 genoemde clausulesoorten van art. 8 lid 2 MRl Pro (de ‘
maiores’).
minores(en wel naar Spaans recht, vgl. rov. 11).
minores’ onder (een van) de ‘
maiores’ vallen, hangt enerzijds af van de uitleg van deze ‘
minores’.
maiores’ van art. 8 lid 2 MRl Pro. Bij dit laatste heeft het Haagse hof in wezen volstaan met een verwijzing naar de conclusie van de A-G [9] vóór het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, waarna het hof oordeelde: ‘Het gaat hier derhalve om bepalingen als bedoeld in artikel 8 lid 2 van Pro de Merkenrichtlijn’.
maiores’ van art. 8 lid 2 MRl Pro. gaat het om – Unierechtelijke – rechtsvragen, waaraan het Haagse hof geen nadere aandacht heeft gegeven (net zo min als de conclusie vóór het arrest van 15 oktober 2010).
Transfer and License(pp. 273-279) geschreven. De passages over het met art. 8 lid 2 MRl Pro equivalente 22 lid 2 Gemeenschapsmerkenverordening (pp. 277-278) werpen geen nader licht op het probleem dat ons hier bezig houdt.
incidentele tekortkomingal dan niet moet ‘tellen’. Ik merk op dat voor zover de opzegbaarheid van de licentieovereenkomst voorwerp is van dit discussiepunt, zulks niets te maken heeft met de derdenwerking van art. 8 lid 2 MRl Pro. Voor zover het gaat om de vraag of de (onwetende) wederverkoper van zo’n ‘Ausreiβerprodukt’ merkinbreuk maakt, is dat uiteraard wél het geval. Dat gezegd zijnde, constateer ik dat deze bijzonderheid in de onderhavige rechtsstrijd tussen Diesel en Makro c.s. niet aan de orde is.
die tevens de status van een ‘acte clair’ zouden meebrengen. Ik zet dat onderzoek dus niet verder voort.
(sub-)onderdelen 2.1.3 onder (iv)en
2.1.5verwijten hef hof te zijn voorbijgegaan aan (feiten blijkend uit) de daar vermelde de Spaanse procedure die resulteerde in arresten van het Hof van Appel te Valencia en het Spaanse Hooggerechtshof (Tribunal Supremo), en wel – hoofdzakelijk en kort gezegd – dat daaruit zou blijken dat geen sprake is van enig handelen in strijd met een contractuele bepaling in de verhouding Diesel-Difsa/Cosmos. Zoals (sub-)onderdeel 2.1.5 ten deze verwijst naar een verdere uitwerking van deze stellingname in onderdeel 2.2, verwijs ik hier naar mijn bespreking van dat onderdeel in par. 4.D van deze conclusie.
(Sub-)onderdeel 2.1.3 onder (v)behoeft geen afzonderlijke bespreking.
(Sub-)onderdeel 2.1.4bevat een processuele motiveringsklacht. Het gaat over een door het hof in rov. 13 ten onrechte uit een stellingname van Makro (bij pleitnota 2011 van mr. Kaak, onder 5.9) afgeleide erkenning dat – ook volgens Makro – Flexi Casual de resultaten van de testverkopen immers eerst aan Diesel zou moeten hebben voorgelegd (zodat Diesel/Difsa de kwaliteit daarvan kan controleren) voordat Flexi Casual schoenen van eigen makelij onder het merk DIESEL mag gaan vervaardigen/distribueren. Volgens de klacht is de desbetreffende stellingname van Makro gedaan in een andere context (nl. die van de economische verbondenheid) en dus door het hof uit haar verband getrokken.
ontbrekenvan zo’n voorleggingsvereiste acht had moeten slaan op (feiten blijkend uit) de Spaanse procedure, onderwerp is van het nog te bespreken middelonderdeel 2.2.
(sub-)onderdeel 2.1.6 onder (i)klaagt dat het hof niet aangeeft waarop het de constatering dat vast zou staan dat de schaal waarop Cosmos schoenen in de handel heeft gebracht ‘groot’ zou zijn baseert, faalt het. Ik verwijs hiertoe naar de bespreking van onderdeel 2.3.1 in nrs. 4.23.1 - 4.23.2. Hetzelfde geldt voor
(sub-)onderdeel 2.1.6 onder (ii).
(Sub-)onderdeel 2.1.6 onder (iii), klagend over hetgeen het hof in rov. 14 overwogen zou hebben aangaande een ‘artikel 4’, berust klaarblijkelijk op onjuiste lezing. In rov. 14 is geen ‘artikel 4’ aan de orde (wel: artikel 1.4).
onderdeel 2.3.1heeft het hof in rov. 7 en rov. 9 miskend dat het ingevolge rov. 3.3.5 van het verwijzingsarrest tot uitgangspunt moet nemen dat Diesel toestemming heeft gegeven tot het in het verkeer brengen van de betrokken schoenen. Het hof heeft dit miskend door in rov. 9 de verwijzingsinstructie van de Hoge Raad te lezen als zou het hof moeten beoordelen ‘
of toestemming van Diesel geacht moet worden te hebben ontbroken voor het – in strijd met die beperkingen – op grote schaal verhandelen van haar merk voorziene schoenen.’ Volgens het onderdeel heeft de Hoge Raad zich in het geheel niet uitgelaten over
de schaal waaropde verhandeling zou hebben plaatsgevonden en heeft de Hoge Raad ook nergens in rov. 3.3.6 – expliciet of impliciet – geoordeeld dat het
op grote schaalverhandelen van schoenen in strijd met een ‘Copad-beperking’ zou zijn.
uitgangspuntte nemen (rov. 3.3.5), maar het diende vervolgens nu juist (rov. 3.3.6, ‘
echter’) na te gaan of in
afwijkingvan dit uitgangspunt, ‘de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2008 in rov. 4, tweede alinea heeft genoemd’ meebrengen dat ‘
niettemin’ gezegd moet worden dat die toestemming ontbrak op aan art. 8 lid 2 MRl Pro ontleende gronden. Gelet op het zojuist geciteerde, door de Hoge Raad in rov. 3.3.6 aangegeven feitelijke uitgangspunt, moest dus (nu juist) onderzocht worden of het
ontbreken van een toestemming tot ‘het (op grote schaal) op de markt brengen van schoenen met het merk Diesel’, in
samenhangmet aan art. 8 lid 2 MRl Pro ontleende gronden, moest leiden tot doorbreking van de ingevolge rov. 3.3.5 tot uitgangspunt te nemen toestemming. Blijkens het verwijzingsarrest is voor die eventuele doorbreking derhalve, naast de (te onderzoeken) aanwezigheid van een of meer aan art 8 lid 2 MRl Pro ontleende gronden, het feitelijk
ontbrekenvan een toestemming tot ‘het (op grote schaal) op de markt brengen van schoenen met het merk Diesel’ constitutief.
onderdeel 2.3.2bouwt geheel voort op (of vormt een herhaling van) onderdeel 2.3.1 en deelt het lot daarvan.
Onderdeel 2.3.3berust m.i. op een misverstand. Het onderdeel zegt zich te richten tegen de deeloverweging van het hof in rov. 9, dat ‘[h]et ontbreken van toestemming niet [15] reeds [voortvloeit] uit het in cassatie in stand gelaten oordeel van het Amsterdamse hof dat geen sprake is geweest van impliciete toestemming volgens de Davidoff-maatstaf, nu die maatstaf een strenge is en alleen geldt wanneer geen economische verbondenheid kan worden aangenomen’.
Onderdeel 2.4is gericht tegen rov. 10. De klacht behelst in de kern dat het hof bij zijn daar aangegeven onderzoeksprogramma geen plaats heeft ingeruimd voor het aanvullen van feitelijke stellingen, waarbij – blijkens het vervolg – het onderdeel met name het oog heeft op (feiten blijkend uit) de in het onderdeel vermelde Spaanse procedure die resulteerde in arresten van het Hof van Appel te Valencia en het Hooggerechtshof (Tribunal Supremo).
of de feiten die de HR in zijn tussenarrest van 11 juli 2008 in rov. 4, tweede alinea heeft genoemd, meebrengen dat niettemin gezegd moet worden dat die toestemming ontbrak op de in het Copad-arrest genoemde, aan art. 8 lid 2 van Pro de Merkenrichtlijn ontleende gronden’ (cursivering van mij, A-G).
- Makro c.s. niet hebben mogen begrijpen dat Flexi Casual respectievelijk Cosmos dit recht wel aan die overeenkomst kon ontlenen;
- voorzover Flexi Casual aan de hiervoor in 3.1 (iv) vermelde machtiging meer rechten kan ontlenen dan aan de overeenkomst van 29 september 1994, daaruit niet voortvloeit dat zij of Cosmos een algemeen recht tot het produceren van schoenen met het DIESEL-woordmerk hadden.’
louterop basis van deze feiten oordelen dat die meebrengen dat toestemming ontbrak op (nu kort gezegd) ‘Copad-gronden’: anders had de HR zelf in het arrest van 15 oktober 2010 in die zin kunnen oordelen, en was verwijzing naar het Haagse hof niet nodig geweest. Het Haagse hof diende het ontbreken van toestemming op basis van ‘Copad-gronden’ juist te
onderzoeken, waarbij het zich echter wél diende te baseren op de in even bedoelde in rov. 4 van het tussenarrest neergelegde feiten: getuige de woorden ‘of de feiten die de HR in zijn tussenarrest van 11 juli 2008 in rov. 4, tweede alinea heeft genoemd,
meebrengen…’ (cursivering van mij, A-G).
deze vraaghun stellingen mogen aanpassen’ (cursivering, nu van de woorden ‘
deze vraag’, van mij, A-G).
de feitendie de HR in zijn tussenarrest van 11 juli 2008 in rov. 4, tweede alinea heeft genoemd, meebrengen dat niettemin gezegd moet worden dat die toestemming ontbrak op de in het Copad-arrest genoemde, aan art. 8 lid 2 van Pro de Merkenrichtlijn ontleende gronden’ (cursivering, nu van de woorden ‘
de feiten’, van mij, A-G).
interpretatievan
dátfeitenbestand door het Haagse hof in het licht van de – door het Copad-arrest van het HvJEU in het licht gestelde – vraag of de zijdens Diesel gegeven toestemming geclausuleerd moet heten door (weer kort gezegd) ‘Copad-gronden’. Oftewel: het door het hof in rov. 10 bedoelde onderzoek.
Onderdeel 2.5klaagt over ’s hofs oordeel in de laatste volzin van rov. 3 dat de Spaanse uitspraken in deze procedure slechts in zoverre een rol spelen dat daaraan informatie kan worden ontleend over de inhoud van Spaans recht, dat bij bepaalde aspecten van deze zaak moet worden toegepast. Volgens het onderdeel berust die overweging in de eerste plaats op een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof ambtshalve onderzoek moet doen naar (de inhoud van) vreemd recht als het meent dat dat recht op bepaalde aspecten van een zaak van toepassing is.
onderdelen 2.6, 2.7 en 2.8delen – in al hun (sub-)onderdelen – het lot van onderdeel 2.4. Dat daarmee – anders dan in het kader van deze onderdelen betoogd wordt – de vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad bij arrest niet zinledig geweest is, is gebleken bij de bespreking van de middelonderdelen van thema (i). Dat geldt ook voor
onderdeel 2.9, behoudens de vooropstelling in die klacht, die herinnert aan de centrale klacht van thema (i).
Onderdeel 2.10klaagt over de deeloverweging in rov. 17, waar het hof overweegt:
De eventuele schending van het auteursrecht van Diesel op het beeldmerk
D) ingeroepen auteursrecht;
onderdeel 2.2, gericht tegen rov. 3 (en rov. 17), stellen Makro c.s. de uitspraken van het Hof van Appel te Valencia en van het Spaanse Tribunal Supremo aan de orde. Terwijl – zoals gebleken is – onderdeel 2.4 (gericht tegen rov. 10) klaagt dat het buiten beschouwing laten van (feiten blijkend uit) deze arresten in strijd zou zijn met de
verwijzingsinstructiein het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, is de invalshoek van
onderdeel 2.2.1,uitgewerkt in
onderdeel 2.2.2dat het Haagse hof het beroep van Makro c.s. op de Spaanse arresten voor wat betreft de
onbeperktetoestemming zijdens Diesel voor het in het verkeer brengen van de onderhavige schoenen, niet als
bewijsmiddelin aanmerking heeft willen nemen.
Onderdeel 2.2.2 onder (ii)(op blz. 26 van de cassatiedagvaarding) klaagt in dit verband nog over de afwijzing (in rov. 18) van de door Makro c.s. op basis van art. 22 en Pro art. 843a Rv. verlangde overlegging door Diesel van het procesdossier in de Spaanse procedure.
onderdeel 2.2.3.
derdenwerking jegens Makrotoekomt.
derde(parallelimporteur) licentievoorwaarden van Diesel/Difsa tegen zich moet laten gelden, komt aan de Spaanse uitspraken en aan Diesels Spaanse procesdossier geen betekenis toe, of althans zo weinig dat het Haagse hof kon oordelen dat Makro onvoldoende (nl. geen direct of concreet [22] ) belang heeft bij overlegging daarvan. Dat is wat het hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen in rov. 3 van het bestreden arrest, met name waar hij overweegt dat het feitencomplex waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan niet identiek is aan dat waarop de Spaanse uitspraken zijn gebaseerd [23] .
onderdeel 2.2.4bevat een herhaling van eerdere klachten van het middel en deelt het lot daarvan.
Onderdeel 2.2.5behoeft geen afzonderlijke bespreking.