ECLI:NL:PHR:2013:1141
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vaststelling Nederlanderschap bij gebruik valse identiteit
In deze zaak verzocht de eiser om vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN). De eiser was in 1977 vanuit Turkije naar Nederland gekomen en had in 1991 een naturalisatieverzoek ingediend met persoonsgegevens die volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst onjuist waren. De rechtbank wees het verzoek af omdat de geboortedata en identiteit niet overeenkwamen met de overgelegde documenten en er geen bijzondere omstandigheden waren die de identificatie konden ondersteunen.
De eiser stelde dat hij geen valse identiteit gebruikte omdat hij altijd onder dezelfde naam bekend was geweest. De Hoge Raad oordeelde dat het Koninklijk Besluit van 1992, dat het Nederlanderschap verleende, geen rechtsgevolg heeft omdat het gebaseerd was op onjuiste persoonsgegevens. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de eiser niet de persoon was die in de geboorteakte stond vermeld.
Verder verwierp de Hoge Raad het beroep op internationale verdragsbepalingen, omdat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen recht op verkrijging van nationaliteit verleent. De Hoge Raad bevestigde daarmee de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat het naturalisatiebesluit is gebaseerd op valse persoonsgegevens.