Conclusie
eerste klacht(onderdelen 9-14) luidt dat het hof ten onrechte op 27 december 2012 een beschikking heeft gegeven. Daartoe wordt aangevoerd dat [verzoekster] op 23 december 2012 persoonlijk per fax een wrakingsverzoek heeft ingediend, aangevuld op 30 december 2012, waarna haar op 3 januari 2013 door de wrakingskamer is meegedeeld dat haar, nu het hof inmiddels een beschikking had gegeven, niet meer de gelegenheid werd geboden tot herstel van haar verzuim om het wrakingsverzoek in te dienen via een advocaat. Geklaagd wordt dat het hof verzoekster ten onrechte geen gelegenheid heeft gegeven om haar verzuim te herstellen en zijn beschikking niet heeft aangehouden totdat op het wrakingsverzoek was beslist.
tweedeklacht (onderdeel 16) heeft het hof ten onrechte niet het verzoek van [verzoekster] gehonoreerd om de mondelinge behandeling gescheiden te laten plaatsvinden, althans zijn (impliciete) afwijzing van het verzoek onvoldoende gemotiveerd.
derdeklacht (onderdelen 17-18) strekt in de kern tot betoog dat het hof in rov. 4.4 ten onrechte een aantal stellingen van [verweerster] als onbetwist heeft aangemerkt. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof bekend was althans moest zijn dat [verzoekster] niet ter zitting is verschenen omdat haar geen gescheiden mondelinge behandeling was vergund.
vierdeklacht (onderdelen 19-22; zie ook onderdeel 24) komt op tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.5) dat de omstandigheid dat [verweerster] geen volledige boedelbeschrijving heeft opgemaakt niet tot haar ontslag als executeur kan leiden. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist is op grond dat art. 1:146 lid 2 BW Pro dwingend voorschrijft dat de executeur een boedelbeschrijving opmaakt. Voorts zou het oordeel van het hof onbegrijpelijk alsook innerlijk inconsistent zijn omdat de motivering ervan uitsluitend betrekking heeft op de roerende goederen uit de nalatenschap.
’s Hofs oordeel dat in die omstandigheden het achterwege laten van een boedelbeschrijving geen gewichtige reden voor ontslag oplevert, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
klacht 5(onderdeel 23) als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat, zo begrijp ik, het verwijt dat door de executeur geen overzicht is opgesteld waarin is beschreven welke goederen aan welke erfgenaam zijn toebedeeld, niet tot haar ontslag kan leiden (rov. 4.6). Daartoe wordt aangevoerd dat de executeur ook al geen boedelbeschrijving heeft opgemaakt. Daaruit volgt dat zij niet tegen haar taak blijkt te zijn opgewassen; bovendien zal zij zonder boedelbeschrijving geen rekening en verantwoording kunnen afleggen, aldus de klacht.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.