ECLI:NL:PHR:2013:1149

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2013
Publicatiedatum
11 november 2013
Zaaknummer
13/04235
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake kennelijk onredelijk ontslag afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Eiser heeft een vordering ingesteld tegen Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine wegens kennelijk onredelijk ontslag. In eerste aanleg werd de vordering gedeeltelijk toegewezen, maar het hof wees deze af in het bestreden arrest.

Eiser stelde cassatieberoep in, waarbij de klachten vooral betrekking hadden op de toepasselijkheid van het Ontslagbesluit en de vergoeding bij ontslag. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet voldeden aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro, omdat zij onvoldoende concreet en begrijpelijk waren uitgewerkt en niet duidelijk maakten tegen welke rechtsoverwegingen zij zich richtten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO. De Hoge Raad volgde deze conclusie, waardoor het beroep werd afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de formele klachtenvereisten.

Conclusie

Zitting 18 oktober 2013
mr J. Spier
13/04235
80a-Conclusie inzake
[eiser]
tegen
Stichting voor Educatie en Beroepsonderwijs Zadkine
1. [eiser] heeft tegen Zadkine een vordering ingesteld gegrond op kennelijk onredelijk ontslag. In eerste aanleg is die vordering gedeeltelijk toegewezen. In het thans bestreden arrest is zij afgewezen.
2. Mr. Broersma, die blijkens het petitum van de cassatiedagvaarding kennelijk meent bij Uw Raad als “gemachtigde” op te treden, heeft tijdig cassatieberoep bezorgd.
3. Het
eerste middelkomt kennelijk (vooral) op tegen rov. 3.13. Het komt niet verder dan tegen ’s Hofs oordeel in stelling te brengen dat het Ontslagbesluit naar de mening van “Rekwirant” wel degelijk van toepassing is. Deze klacht voldoet in genen dele aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
4.Voor zover het
tweede middelal voldoende begrijpelijk is, geeft het niet aan tegen welke rechtsoverweging het opkomt. Het lijkt ook op twee gedachten te hinken: enerzijds ziet het op een ontslag
vergoedingen anderzijds op het niet mogen geven van het ontslag. Het verband tussen beide komt evenwel niet op begrijpelijke wijze uit de verf. Met name is niet duidelijk of het [eiser] met deze klacht te doen is om een vergoeding of om iets anders. Laat staan dat wordt uitgelegd
waaromschadevergoeding op haar plaats was geweest, dan wel [eiser] “volgens het toepasselijke sociaal plan (..) op grond van anciënniteit (…) niet voor ontslag in aanmerking” had mogen komen en waarom hetgeen het Hof heeft geoordeeld (ik vermoed dat bedoeld is: in rov. 4) onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ook deze klacht voldoet daarom in het geheel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
5. Ook het
derde middelis onbegrijpelijk. Duister is waarom ’s Hofs oordeel de toets der kritiek in cassatie niet zou kunnen doorstaan. In rov. 4 lees ik niets wat correspondeert met stellingen als in het middel geëtaleerd. Bovendien wordt kennelijk – helemaal duidelijk is het niet – beroep gedaan op stellingen die in feitelijke aanleg zouden zijn geëtaleerd zonder dat wordt onthuld waar dat zou zijn gebeurd. Ook deze klacht voldoet daarom in geen enkel opzicht aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal