Conclusie
eerste middelkomt kennelijk (vooral) op tegen rov. 3.13. Het komt niet verder dan tegen ’s Hofs oordeel in stelling te brengen dat het Ontslagbesluit naar de mening van “Rekwirant” wel degelijk van toepassing is. Deze klacht voldoet in genen dele aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
tweede middelal voldoende begrijpelijk is, geeft het niet aan tegen welke rechtsoverweging het opkomt. Het lijkt ook op twee gedachten te hinken: enerzijds ziet het op een ontslag
vergoedingen anderzijds op het niet mogen geven van het ontslag. Het verband tussen beide komt evenwel niet op begrijpelijke wijze uit de verf. Met name is niet duidelijk of het [eiser] met deze klacht te doen is om een vergoeding of om iets anders. Laat staan dat wordt uitgelegd
waaromschadevergoeding op haar plaats was geweest, dan wel [eiser] “volgens het toepasselijke sociaal plan (..) op grond van anciënniteit (…) niet voor ontslag in aanmerking” had mogen komen en waarom hetgeen het Hof heeft geoordeeld (ik vermoed dat bedoeld is: in rov. 4) onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ook deze klacht voldoet daarom in het geheel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
derde middelis onbegrijpelijk. Duister is waarom ’s Hofs oordeel de toets der kritiek in cassatie niet zou kunnen doorstaan. In rov. 4 lees ik niets wat correspondeert met stellingen als in het middel geëtaleerd. Bovendien wordt kennelijk – helemaal duidelijk is het niet – beroep gedaan op stellingen die in feitelijke aanleg zouden zijn geëtaleerd zonder dat wordt onthuld waar dat zou zijn gebeurd. Ook deze klacht voldoet daarom in geen enkel opzicht aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.