Conclusie
eerste middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat “diverse getuigenverklaringen” onbetrouwbaar althans ongeloofwaardig zijn, en niet het vrijsprekende vonnis van de rechtbank heeft bevestigd.
nadat[slachtoffer] haar verhaal op papier had gezet en dat niet is gebleken noch aannemelijk is geworden dat de verklaring van [slachtoffer] het resultaat is van sturing, suggestieve bevraging van en/of informatieverstrekking aan haar door haar moeder of door anderen. Overigens merk ik op dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2011 niet inhoudt dat het Hof heeft ingestemd met de verwijzing door de raadsman naar hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, zodat het Hof daaraan voorbij kon gaan. [2]
tweede middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
“Vaststaande feiten[1]
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
het hof leest:15 juli 2009) waren [betrokkene 5] en [slachtoffer] bij mij thuis aan het spelen. Terwijl [slachtoffer] naar het toilet ging, vertelde [betrokkene 5] mij dat [verdachte] seksuele dingen had gedaan met [slachtoffer] . [betrokkene 5] vertelde dat [slachtoffer] dit de avond daarvoor aan haar moeder had verteld. Toen [slachtoffer] van het toilet kwam heb ik tegen haar gezegd dat ik net van [betrokkene 5] iets gehoord had en dat wij er voor haar zouden zijn als dat nodig was. [slachtoffer] begon daarop te huilen en vertelde dat zij nooit graag thuis was met [verdachte] en dat zij het niet prettig vond als [verdachte] moest oppassen omdat hij, als zij in bed lag, naar haar toe kwam. Toen zij dit vertelde huilde en schokte [slachtoffer] . [slachtoffer] vertelde verder dat er met oud en nieuw voor het laatst iets gebeurd was en dat zij dat tegen haar moeder had verteld maar dat zij haar niet geloofde.[12]
3x weet iets lekkers”, “
steive piemel”, “
kusje op” en “
tongen”. Voorts bevat deze pagina volgens de rechtbank nog de woorden “
tussen benen pakken” en “
ophalen[onleesbaar]”. Het hof leest evenwel, tegen de achtergrond van de door [slachtoffer] tijdens het studioverhoor van 28 juli 2009 afgelegde verklaring (pagina 9 van 44, dossierpagina 59), waarin zij onder meer sprak over haar vriendin [betrokkene 6] , in het woord dat door de rechtbank onleesbaar werd geacht de naam “
dafne”. Tegen diezelfde achtergrond leest het hof, anders dan de rechtbank, de woorden: “
tussen benen pakken ophalen [betrokkene 6]” als één geheel.
steive piemel”, “
kusje op” en “
tongen”) ten opzichte van hetgeen [slachtoffer] in het collegeblok
3x weet iets lekkers” en “
tussen benen pakken ophalen [betrokkene 6]”, wezenlijk verschillen van hetgeen [slachtoffer] in het collegeblok op de pagina’s 14 en 15 heeft opgeschreven.
3x weet iets lekkers” en “
tussen benen pakken ophalen dafne”, zoals zij bij gelegenheid van het studioverhoor van 28 juli 2009 wel heeft gedaan.
In dit verband overweegt het hof ten slotte nog dat het op grond van de door de moeder van [slachtoffer] op 15 september 2011 als getuige ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring voor gehouden moeten worden dat zij in steekwoorden aantekeningen heeft gemaakt in he collegeblok
nadat[slachtoffer] haar verhaal al op papier had gezet.
ik weet iets lekkers” consequent en expliciet in de context heeft geplaatst van het door de verdachte likken/zuigen aan haar vagina, dat volgens [slachtoffers] verklaring tijdens het studioverhoor twee of drie keer is gebeurd. Het hof leidt hieruit af dat aangenomen dient te worden dat de door de moeder van [slachtoffer] genoteerde steekwoorden “
3x weet iets lekkers” eveneens verband hebben gehouden met door [slachtoffer] tegenover haar moeder gedane verbale uitlatingen, nadat zij haar verhaal al op papier had gezet, over het likken aan haar vagina door de verdachte, waarover zij in het collegeblok niets had opgeschreven.
[voetnoot 13]: Een bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het door [verbalisant 4] , schrijftolk, op 29 juni 2010 opgemaakte en ondertekende verslag verbatim studioverhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, zaaknummer 13-10 inhoudende de weergave van de door [betrokkene 5] op 22 juni 2010 in de verhoorstudio afgelegde verklaring (pagina 15 van 35).
Bij de bespreking van deze klacht stel ik voorop dat art. 342 lid 2 Sv Pro door de wetgever is bedoeld als waarborg tegen gerechtelijke dwalingen. Dat waarborgkarakter heeft het artikellid als gevolg van de daaraan door de Hoge Raad in vaste jurisprudentie gegeven uitleg grotendeels verloren. Die uitleg berust op een belangenafweging die ik nog steeds zou willen onderschrijven. De regel is — als het vereiste steunbewijs per se betrekking moet hebben op de kern van de tenlastelegging — te star, met als gevolg dat het strafrecht onvoldoende bescherming kan bieden aan slachtoffers van onder meer verkrachting. Dat neemt niet weg dat het grote vertrouwen dat met deze wetsuitleg is gesteld in het vermogen van de rechter om het bewijs op waarde te schatten, niet blind mag zijn. De ratio van art. 342 lid 2 Sv Pro brengt mijns inziens mee dat de rechter in gevallen waarin het bewijs praktisch gesproken uitsluitend berust op de verklaring van het slachtoffer, in zijn vonnis of arrest motiveert waarom het verantwoord moet worden geacht de bewezenverklaring op die ene verklaring te baseren.
Ik heb met opzet niet geschreven: dat de rechter uitlegt waarom hij die verklaring betrouwbaar acht. Daarmee zou het accent te veel worden gelegd op de wijze waarop de rechter subjectief overtuigd is geraakt van de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. Het accent zou moeten liggen op de vraag of er, bij gebreke aan direct steunbewijs, vervangende waarborgen zijn die maken dat de kans dat de rechter zich — in al zijn subjectieve overtuigdheid — vergist, tot aanvaardbare proporties is teruggebracht. Dat vraagt om een meer objectieve benadering. Van de rechter mag worden gevergd dat hij zijn oordeel dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is met objectieve gegevens onderbouwt. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan medische verklaringen over eventuele verwondingen of andere sporen van het delict en aan verklaringen van getuigen over het gedrag en de emoties van het slachtoffer direct na het gebeuren. Ik werk dat hier niet verder uit. Gezegd wil zijn dat er in gevallen waar alles om de verklaring van het slachtoffer draait, meer aan motivering nodig is dan de overweging dat de rechter geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. Als er werkelijk niet meer over kan worden gezegd, brengt de achter art. 342 lid 2 Sv Pro liggende gedachte mijns inziens mee dat dient te worden vrijgesproken.
Dit betekent in elk geval – maar dat is niet nieuw – dat verklaringen van getuigen die het verhaal van het slachtoffer zelf hebben gehoord – met name in zedenzaken waar het bewijs natura materiae aan de krappe kant is – niet als een zelfstandige tweede bewijsgrond kunnen worden aangemerkt, omdat de informatie uit dezelfde bron afkomstig is (van horen zeggen) of uit waarneming van dezelfde bron (het zien van emoties, het constateren van gedragsveranderingen), zoals in NJ 2010/515. Niettemin kan die informatie de bewijskracht van de enige getuigenverklaring op het punt van betrouwbaarheid versterken, waardoor aan het steunbewijs soms minder zware eisen worden gesteld (zie hierna).
Wel eist de Hoge Raad nu, in elk geval qua formulering, dat de tweede bewijsgrond de eerste ‘voldoende steun’ moet geven en dat er daartussen niet ‘een te verwijderd verband’ mag bestaan (NJ 2010/515). Met andere woorden: de enige getuigenverklaring mag niet ‘op zichzelf staan’; er moet een tweede bewijsgrond zijn die onafhankelijk van de verklaring van de unus betekenis heeft maar als surplus die verklaring op een of meer onderdelen ondersteunt op een relevante manier, dus meer inhoudelijk, meer specifiek, meer nauwkeurig, meer redengevend en, ja zeker, meer betrokken op de betrokkenheid van de verdachte. Kortom: de gehele bewijsvoering moet logisch passen in de context van het verhaal, hoewel de juistheid van het tegenverhaal – het theoretische alternatief – niet in alle opzichten uitgesloten hoeft te worden, dus geen meer- en vaartachtige situatie hoeft op te leveren.” [17]
Ten eersteis gelet op HR 6 maart 2012, LJN BQ6144, NJ 2012/251 het schrijfblokje van [slachtoffer] van betekenis. De inhoud daarvan spreekt voor zich.
Ten tweedeheeft ten aanzien van de eerste onthulling de moeder van [slachtoffer] verklaard dat deze in de bedoelde nacht van oud op nieuw enkel gekleed in een onderbroekje met een om haar heen geslagen dekentje bij de buren voor de deur stond, hetgeen wat het dekentje betreft bevestiging vindt in de verklaring van de vader van [slachtoffer] , in de verklaring van de getuige [betrokkene 3] en in de verklaring van verzoeker zelf.
En ten derdeheeft verzoeker met betrekking tot de eerste onthulling verklaard dat hij op oudejaarsavond van 2008 en de daaropvolgende jaarwisseling samen met [slachtoffer] in de woning van de moeder van [slachtoffer] aanwezig was. De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op het adres De A. 77 te H. en verzoeker op het adres De A. 81 te H. woonde en dat – hetgeen onder de werking van de overige omstandigheden van het geval tevens van betekenis is voor de tweede onthulling - verzoeker na haar scheiding in 2006 vrijwel dagelijks bij haar thuis kwam. Verder, en met verwijzing naar hetgeen ik over deze emotie hierboven onder 15 heb geschreven, haal ik hier toch ook maar de verklaringen aan van onderscheidenlijk de moeder van [slachtoffer] , de getuige [betrokkene 3] , de getuige [betrokkene 4] en de getuige [betrokkene 5] , voor zover deze inhouden dat, toen [slachtoffer] hen vertelde over het seksueel misbruik, zij (intens) huilde dan wel overstuur was. Als het onderscheid van het Hof tussen de eerste onthulling (gedateerd 1 januari 2009) en de tweede onthulling (gedateerd 14 juli 2009), alsmede de niet onbegrijpelijk redenering van het Hof dat de tweede onthulling betrekking moet hebben op een gebeurtenis die vóór 1 januari 2009 heeft plaatsgevonden, wordt gevolgd, kan daarbij worden vastgesteld dat de moeder van [slachtoffer] en de getuige [betrokkene 3] hebben verklaard over de door hen waargenomen emoties bij [slachtoffer] (huilend, overstuur) in de bewuste nacht van oud op nieuw (de eerste onthulling) en dat de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] dezelfde emoties bij [slachtoffer] hebben waargenomen tijdens de tweede onthulling.