Conclusie
5.Beoordeling van het eerste middel.
10.Beoordeling van het derde middel.
3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is verdachte door het hof Amsterdam veroordeeld voor voorbereiding van diefstal met geweld of afpersing, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, en het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar de Hoge Raad oordeelde dat de bewijsmotivering onvolledig was, met name omdat een ongeloofwaardige verklaring van verdachte ten onrechte als bewijsmiddel werd opgenomen.
De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank en het hof onvoldoende redenen hadden gegeven voor het oordeel dat verdachte de voorwerpen in zijn auto opzettelijk aanwezig had gehad, terwijl verdachte een ongeloofwaardige verklaring had afgelegd. Dit was in strijd met de eis dat de bewezenverklaring met redenen moet worden omkleed.
Het eerste middel van cassatie, gericht op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, faalde omdat verdachte dit standpunt niet zelf had bepleit. Het tweede middel werd niet behandeld vanwege het slagen van het derde middel, dat slaagde vanwege de gebrekkige bewijsmotivering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de feiten 1 en 2 en de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor feiten 1 en 2 en strafoplegging, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.