Conclusie
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, Sv. De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de naleving van artikel 51 Sv Pro, dat voorschrijft dat de dagvaarding aan de raadsman moet zijn betekend.
Uit het proces-verbaal bleek dat de verdachte niet was verschenen en dat aan de afwezigheid van de raadsman geen aandacht was besteed, ondanks een aantekening op de dagvaarding dat aan de raadsman een afschrift was gestuurd. Het hof baseerde zijn oordeel uitsluitend op deze aantekening zonder te onderzoeken of de raadsman daadwerkelijk op de hoogte was gesteld.
De Hoge Raad benadrukt het belang van het recht op verdediging en stelt dat bij twijfel over de naleving van artikel 51 Sv Pro de rechter zich moet vergewissen van de juiste kennisgeving voordat de zitting wordt voortgezet. Het ontbreken van dit onderzoek leidt tot nietigheid van het onderzoek in hoger beroep.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.