Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder I.1). In het verlengde daarvan klagen de v.o.f. en haar vennoten dat het hof art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro heeft geschonden, omdat aan hen onvoldoende gelegenheid is geboden zich over deze producties uit te laten (
onder II en III).
onder IV). In ieder geval achten zij het oordeel van het hof in dat geval onbegrijpelijk in het licht van de volgende omstandigheden: dat de omvangrijke producties in een eerder stadium hadden kunnen worden overgelegd; dat zij bezwaar hebben gemaakt tegen de niet-tijdige overlegging van de producties; dat zij erop hebben gewezen dat een korte leespauze niet volstaat om de producties inhoudelijk te beoordelen en dat het hier gaat om producties die tot een voor de vennootschap en haar vennoten nadelig oordeel kunnen leiden (
onder I.2 en III.1.3). Een gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten brengt volgens de v.o.f. en haar vennoten mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, nu het daarin vervatte oordeel mede op deze nadere producties is gegrond (
onder I.3 en III).