Conclusie
1.Voorgeschiedenis
2.Bespreking van de cassatieklachten
“ook al zijn verzoeker(s) niet te goeder trouw geweest – quod non –“. Indien met name met de woorden ‘quod non’ wordt beoogd ’s hofs oordeel te bestrijden dat het te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden, in het bijzonder de schuld aan de belastingdienst, onvoldoende aannemelijk is gemaakt, slaagt de klacht niet wegens onvoldoende onderbouwing. Er worden geen concrete redenen vermeld waarom dit oordeel geen stand zou kunnen houden.
“Verzoekers zijn van mening dat het hof ten onrechte, althans zonder enige motivering, is voorbij gegaan aan de in appel voorgedragen stellingen onder 4 tegen de beschikking van de rechtbank. Hiermee werd een beroep gedaan op het bepaalde in art. 288 lid 3 Fw Pro.”Kennisneming van hetgeen onder 4 van Beroepschrift is aangevoerd, leert dat het hof in het aldaar aangevoerde niet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro heeft hoeven te onderkennen. Er worden daar geen feiten en omstandigheden vermeld, waaruit valt af te leiden dat de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden, onder controle zijn gekregen.
de manbetreft, dat hij zijn bedrijf in de agrarische sector heeft moeten beëindigen vanwege gezondheidsklachten; zie Beroepschrift sub 3. De gedachte achter de hardheidsclausule is, dat de omstandigheden aan de zijde van de betrokken schuldenaar zodanig zijn gewijzigd dat te verwachten valt dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal kunnen nakomen.
( [1] )Met het beëindigd hebben door de man van zijn bedrijf in de agrarische sector is dat nog niet gegeven. In dit verband is van belang, dat in het Beroepschrift sub 3 ook nog is aangevoerd dat de man depressief is geworden, psychische klachten heeft ontwikkeld en hiervoor bij een psycholoog in behandeling is.
de vrouwbetreft, heeft het hof expliciet geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat zij haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daartegen wordt in 2.6 van het verzoekschrift tot cassatie opgekomen. Er wordt aldaar een beroep gedaan op een misverstand in die zin dat de vrouw bedoeld heeft tijdens de mondelinge behandeling omtrent haar voornemen om werk te gaan oppakken iets anders aan te geven dan het hof in zijn arrest vermeldt. Er wordt echter niets aangevoerd waaruit zou zijn af te leiden, dat het hof de vrouw ten tijde van de mondelinge behandeling verkeerd moet hebben begrepen. Dit betekent dat in cassatie een voldoende grondslag ontbreekt voor het kunnen aannemen van het misverstand, waarop nu een beroep wordt gedaan. De klacht in 2.6 van het verzoekschrift strandt hierop.