ECLI:NL:PHR:2013:121

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
26 juli 2013
Zaaknummer
13/02668
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanningen

Verzoekers, een gehuwd Turks echtpaar met vier kinderen, vroegen de rechtbank om toelating tot de schuldsaneringsregeling. De man had twee ondernemingen beëindigd wegens onvoldoende inkomsten, met een aanzienlijke belastingschuld over 2009. De vrouw beheerst de Nederlandse taal niet en verricht geen werk. De rechtbank wees het verzoek af, bekrachtigd door het hof, vanwege onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw en twijfel over de nakoming van verplichtingen door de vrouw.

In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro niet had toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op deze discretionaire bevoegdheid onvoldoende onderbouwd was en dat het hof terecht oordeelde dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt haar verplichtingen te zullen nakomen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Er was geen sprake van een misverstand over de verklaringen van de vrouw en onvoldoende feiten om het oordeel van het hof te betwisten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Conclusie

Zaaknummer: 13/02668 (WSNP)
mr. Wuisman
Rolzitting: 12 juli 2013
CONCLUSIE inzake:
1. [de man],
2. [de vrouw],
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. K. Bingöl

1.Voorgeschiedenis

1.1
Op 19 november 2012 hebben verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) de rechtbank ’s-Gravenhage bij verzoekschrift verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling. Partijen, beiden afkomstig uit Turkije, zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Er zijn vier kinderen van wie er twee minderjarig en twee meerderjarig zijn.
1.2
Uit de processtukken blijkt van de volgende feiten, waarvan de onjuistheid niet is vastgesteld. De man heeft tot 2006 als zelfstandige ondernemer een kebabzaak gehad. Deze zaak heeft hij moeten sluiten wegens te geringe inkomsten. Na drie maanden werkloos te zijn geweest, is hij een eigen bedrijf in de agrarische sector begonnen. Dit bedrijf heeft hij in 2009 ook wegens te geringe inkomsten moeten beëindigen. Ter zake van dit laatste jaar zijn geen jaarstukken opgesteld – de boekhouder ontving geen betaling – en zijn bij gebreke van een eigen belastingaangifte door de belastingdienst ambtshalve aanslagen opgelegd ter grootte van € 13.831,-. Er is inmiddels wel een aangifte inkomstenbelasting over 2009 gedaan, hetgeen naar de verwachting van verzoekers tot cassatie tot vermindering van de belastingschuld zal leiden. De vrouw, die de Nederlandse taal niet beheerst, verricht geen werk en geniet derhalve geen inkomsten uit werk. Behalve genoemde schuld aan de belastingdienst zijn er nog schulden van in totaal € 38.733,-.
1.3
De rechtbank heeft het verzoek tot toelating bij vonnis van 18 december 2012 afgewezen, welk vonnis door het hof ’s-Gravenhage bij arrest van 21 mei 2013 is bekrachtigd. Daartoe overweegt het hof, hier verkort weergegeven, dat:
onvoldoende aannemelijk is geworden dat de man en vrouw te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden; zo is een groot gedeelte van de schuld aan de belastingdienst ontstaan, doordat de man over het jaar 2009 geen jaarstukken heeft laten opmaken, hetgeen geresulteerd heeft in ambtshalve aanslagen (rov. 6);
onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven; de vrouw stelt zich op het standpunt dat zij vanwege de zorg voor het gezin en het volgen van de cursus Nederlandse taal slechts twee tot drie uur per dag kan werken; onvoldoende is gebleken dat zij bereid is de prioriteiten anders te leggen; het komt er dus op neer dat de vrouw wel de voordelen van de schuldsaneringsregeling wil benutten, maar op voorhand wenst te worden vrijgesteld van de aan die regeling verbonden verplichtingen, in het bijzonder van de inspanningsverplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (rov. 7).
1.4
Tegen het arrest van het hof zijn verzoekers tot cassatie bij een op 29 mei 2013 – dus tijdig – bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen schriftuur in cassatie gekomen.

2.Bespreking van de cassatieklachten

2.1
Onder 2.2 van het verzoekschrift tot cassatie komt in de tweede regel de passage voor:
“ook al zijn verzoeker(s) niet te goeder trouw geweest – quod non –“. Indien met name met de woorden ‘quod non’ wordt beoogd ’s hofs oordeel te bestrijden dat het te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden, in het bijzonder de schuld aan de belastingdienst, onvoldoende aannemelijk is gemaakt, slaagt de klacht niet wegens onvoldoende onderbouwing. Er worden geen concrete redenen vermeld waarom dit oordeel geen stand zou kunnen houden.
2.2
Hetgeen in 2.1 t/m 2.5 van het verzoekschrift tot cassatie naar voren wordt gebracht, houdt de klacht in dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de ‘hardheidsclausule’ van artikel 288 lid 3 Fw Pro.
2.2.1
In 2.3 van genoemd verzoekschrift wordt gesteld:
“Verzoekers zijn van mening dat het hof ten onrechte, althans zonder enige motivering, is voorbij gegaan aan de in appel voorgedragen stellingen onder 4 tegen de beschikking van de rechtbank. Hiermee werd een beroep gedaan op het bepaalde in art. 288 lid 3 Fw Pro.”Kennisneming van hetgeen onder 4 van Beroepschrift is aangevoerd, leert dat het hof in het aldaar aangevoerde niet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro heeft hoeven te onderkennen. Er worden daar geen feiten en omstandigheden vermeld, waaruit valt af te leiden dat de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden, onder controle zijn gekregen.
2.2.2
Dat tijdens de mondelinge behandeling bij het hof een beroep op artikel 288 lid 3 Fw Pro is gedaan, blijkt niet uit de in cassatie overgelegde stukken. Tot die stukken hoort niet een proces-verbaal van de betrokken zitting.
2.2.3
Het toepassing geven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro vormt een discretionaire bevoegdheid. Met dit discretionaire karakter strookt dat op toepassing van de hardheidsclausule door de rechter in beginsel niet zal kunnen worden gerekend dan na een genoegzaam onderbouwd beroep daarop. Daartoe volstaat niet, zeker voor wat
de manbetreft, dat hij zijn bedrijf in de agrarische sector heeft moeten beëindigen vanwege gezondheidsklachten; zie Beroepschrift sub 3. De gedachte achter de hardheidsclausule is, dat de omstandigheden aan de zijde van de betrokken schuldenaar zodanig zijn gewijzigd dat te verwachten valt dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal kunnen nakomen.
( [1] )Met het beëindigd hebben door de man van zijn bedrijf in de agrarische sector is dat nog niet gegeven. In dit verband is van belang, dat in het Beroepschrift sub 3 ook nog is aangevoerd dat de man depressief is geworden, psychische klachten heeft ontwikkeld en hiervoor bij een psycholoog in behandeling is.
2.3
Voor wat
de vrouwbetreft, heeft het hof expliciet geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat zij haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daartegen wordt in 2.6 van het verzoekschrift tot cassatie opgekomen. Er wordt aldaar een beroep gedaan op een misverstand in die zin dat de vrouw bedoeld heeft tijdens de mondelinge behandeling omtrent haar voornemen om werk te gaan oppakken iets anders aan te geven dan het hof in zijn arrest vermeldt. Er wordt echter niets aangevoerd waaruit zou zijn af te leiden, dat het hof de vrouw ten tijde van de mondelinge behandeling verkeerd moet hebben begrepen. Dit betekent dat in cassatie een voldoende grondslag ontbreekt voor het kunnen aannemen van het misverstand, waarop nu een beroep wordt gedaan. De klacht in 2.6 van het verzoekschrift strandt hierop.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.In dat opzicht hangen lid 3 en lid 2, sub c, van artikel 288 Fw Pro met elkaar samen.