Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1faalt omdat het feitelijke grondslag mist. Anders dan het middel betoogt, heeft de maatschap ook in eerste instantie aangevoerd dat de lening door [eiser] werd aangegaan ter voldoening van openstaande facturen van aan hem gelieerde vennootschappen. [2] Voorts heeft het hof de stelling van [eiser] dat hij vóór het aangaan van de geldleningsovereenkomst een handeling heeft verricht waarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was, in het licht van de betwisting door de maatschap en het uitblijven van een verdere toelichting op de voormelde stelling door [eiser], onvoldoende onderbouwd geoordeeld, waarmee het hof, anders dan het middel betoogt, niet tevens heeft geoordeeld dat de ter betwisting van het standpunt van [eiser] aangevoerde stellingen van de maatschap ook juist zijn.
Subonderdeel 2.1faalt omdat het voortbouwt op onderdeel 1.
Subonderdeel 2.2faalt voor zover het voortbouwt op onderdeel 1. Voor het overige faalt het eveneens waar het betoogt dat het hof gelet op de stellingen van [eiser] (MvG, p. 3) onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de handeling waarop [eiser] doelt ter staving van zijn standpunt inzake de vernietiging van de geldleningsovereenkomst door zijn echtgenote, te weten dat hij vóór het aangaan van de overeenkomst een handeling heeft verricht waarvoor de toestemming van zijn echtgenote vereist was, door [eiser] niet voldoende duidelijk is omschreven en [eiser] ook niet heeft toegelicht waarom zou moeten worden aangenomen dat hij al vóór het aangaan van de geldleningsovereenkomst van niet-schuldenaar in de positie van schuldenaar was geraakt. De door [eiser] aangevoerde stellingen bieden afzonderlijk noch gezamenlijk voldoende steun voor de juistheid van het standpunt van [eiser]. De uitleg die het hof heeft gegeven aan de stellingen van [eiser] is, in het licht van de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door de maatschap, niet onbegrijpelijk, te meer omdat het hof in rov. 6 heeft vastgesteld dat de considerans van de geldleningsovereenkomst geen aanwijzing biedt voor de juistheid van het standpunt van [eiser] en voorts omdat tussen partijen vast staat dat de maatschap geen vordering op [eiser] maar op diens vennootschappen had.