Conclusie
1.Voorgeschiedenis
2.Bespreking cassatiemiddelen
( [1] )in zijn beoordeling van de goede trouw van verzoeker tot cassatie betrekt, is met name in verband met de belastingschulden niet onbegrijpelijk. Is een administratie van een onderneming niet in orde dan noopt dat de fiscus aanslagen te doen op basis van schattingen.
()Dat kan leiden tot aanslagen en daarmee tot belastingschulden die wellicht te hoog zijn en (mede daardoor) niet kunnen worden voldaan, zeker wanneer het het betrokken bedrijf economisch niet voor de wind gaat. Het voeren van een gebrekkige administratie is een omstandigheid, waaraan in beginsel de conclusie mag worden verbonden dat de wellicht als gevolg van de schattingen (te) hoog uitvallende belastingschulden niet te goeder trouw zijn ontstaan.
”indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schuldenaar, onder controle heeft gekregen”.
“Het enkele feit dat [verzoeker tot cassatie] zijn onderneming heeft gestaakt en zich naar zijn zeggen van een sociaal vangnet heeft voorzien, is daartoe onvoldoende.”Met het woord ‘daartoe’ doelt het hof, naar valt aan te nemen, op het in het onderhavige geval toepassing geven aan de hardheidsclausule. De geciteerde overweging is aldus te verstaan dat het hof met het beroep op het gestaakt hebben van de onderneming en op het zich voorzien hebben van een sociaal vangnet door verzoeker tot cassatie niet voldoende aannemelijk gemaakt acht dat verzoeker tot cassatie de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schuldenaar, onder controle heeft gekregen. Dit betekent dat het hof de vraag van de toepasselijkheid van de hardheidsclausule in het onderhavige geval wel beantwoordt aan de hand van het in artikel 288 lid 3 Fw Pro neergelegde criterium en dat dus de klacht dat het hof niet het juiste criterium heeft gehanteerd, niet opgaat.
“Indien het gerechtshof heeft willen zeggen dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden zijn weggenomen, dan schiet de motivering van het gerechtshof tekort. Het gerechtshof maakt de verzoeker verwijten over wat in het verleden is gebeurd in plaats dat een oordeel wordt gegeven over wat in de toekomst van de verzoeker wordt verwacht.”Hiermee wordt echter de onvoldoende motivering van de afwijzing door het hof van het beroep van verzoeker tot cassatie op de hardheidsclausule niet aangetoond. Achter het hiervoor aan het begin van 2.7 vermelde citaat steekt nl. ook een inschatting van wat in de toekomst van verzoeker tot cassatie mag worden verwacht op het vlak van het aangaan en voldoen van schulden. Niet wordt uiteengezet waarom, gelet op de door verzoeker tot cassatie getroffen voorzieningen, onbegrijpelijk of althans niet voldoende gemotiveerd is dat het hof te dien aanzien geen goede verwachting heeft aangenomen. In dit verband is nog van belang dat uit de twee voorzieningen, waarop het beroep op de hardheidsclausule stoelt, niet
zonder meervolgt dat van een goede verwachting omtrent het aangaan en voldoen van schulden door verzoeker tot cassatie kan worden uitgegaan.