(p. 48)
“Toedelen bevoegdheden
De gemeentewet bevat de basis voor het toedelen van bevoegdheden aan gemeentelijke bestuursorganen. Voor uitvoerende taken zijn dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De burgemeester heeft op grond van de wet bijzondere bevoegdheden als het gaat om openbare orde en veiligheid en het toezicht op voor publiek toegankelijke gebouwen (artikelen 172 en 174 Gemeentewet).
De burgemeestersbevoegdheden komen met name in het tweede en derde hoofdstuk aan de orde. Daarbij is er consequent voor gezorgd om bevoegdheden bij de burgemeester neer te leggen zodra het gaat om de taken die tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.
Deze bevoegdheden vormen voor een groot deel ook de bepalingen die zijn opgenomen op de A-lijst van de Verordening op de stadsdelen, bepalingen waarvan de uitvoering niet is gedelegeerd aan stadsdelen.”
Alsmede (p. 54):
"Hoofdstuk 2. Orde en veiligheid
Algemeen
Het hoofdstuk is ingedeeld in zes paragrafen: begripsomschrijvingen (1), openbare orde, overlast en veiligheid (2), hinderlijk gedrag (3), preventie (4), openbare manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden en evenementen (5)
en uitoefenen beroep op de weg (6).
De gemeenschappelijke noemer in deze paragrafen is de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid zoals die in de Gemeentewet is verwoord.
Het begrip openbare orde wordt in de literatuur niet eenduidig gedefinieerd.
De bepalingen in dit hoofdstuk beogen over het algemeen de maatschappelijke rust en orde te helpen bewaren, gewelddadigheden tegen de persoonlijke levenssfeer te voorkomen en strafbare feiten te voorkomen.
Het hoofdstuk bevat een ruim scala aan normen, in gradaties variërend van een absoluut verbod om bepaald gedrag te vertonen, dit ter voorkoming van ernstige overlast en hinder, tot een verbod op gedragingen die tot overlast kunnen leiden tenzij ze door middel van een vergunning of ontheffing en daaraan te verbinden voorschriften kunnen worden gereguleerd.
Gelet op de bijzondere rol die de Gemeentewet toekent aan de burgemeester als het gaat om handhaving van de openbare orde en om toezicht op voor publiek toegankelijke plaatsen en vermakelijkheden, zijn de bevoegdheden die in het hoofdstuk worden toegekend bijvoorbeeld voor het aanwijzen van gebieden waar bepaald gedrag is verboden consequent aan de burgemeester toebedeeld.”
En (p. 59):
"Artikel 2.9 Verblijfsverbod
Op grond van artikel 2.9 kan de burgemeester verblijfverboden opleggen. Het eerste lid somt de gedragingen op die ertoe kunnen leiden dat iemand tijdelijk
de toegang tot een overlastgebied wordt ontzegd. Het gaat uitdrukkelijk om gedragingen met een ordeverstorend karakter, zoals het openlijk gebruiken van en het handelen in harddrugs, het voorhanden hebben van wapens, het plegen van geweldsdelicten, straatprostitutie, bedelen en hinderlijk gedrag in of bij gebouwen. Het motief van een verblijfsverbod is dan ook niet het opleggen van een straf wegens het plegen van een strafbaar feit, maar het bestrijden van de ernstige overlast die in bepaalde delen van Amsterdam wordt ondervonden. Het gaat derhalve om een bestuurlijke maatregel, gericht op het herstel van de openbare orde.
Degene die in een overlastgebied één van de in het eerste lid genoemde bepalingen overtreedt, kan een bevel krijgen zich voor de duur van 24 uur uit het betreffende gebied te verwijderen. Het bevel wordt door de politie in mandaat namens de burgemeester gegeven.
Degene die binnen een aaneengesloten tijdvak van zes maanden driemaal een 24-uursbevel heeft gekregen, komt in aanmerking voor een verblijfsverbod voor de duur van 14 dagen. De bevoegdheid tot het opleggen van bevelen die langer duren dan 24 uur is niet gemandateerd vanwege de zwaarte van de maatregel. Bij het tweede 24-uursbevel reikt de politie een schriftelijke waarschuwing uit, waarin wordt toegelicht hoe een verblijfverbod uiteindelijk kan oplopen tot drie maanden.
Degene die binnen een jaar na een gegeven 14 dagen-bevel opnieuw een van de in het eerste lid genoemde overtredingen begaat, krijgt een verblijfsverbod van een maand voor het desbetreffende overlastgebied. Degene die binnen een jaar na dit bevel weer een overtreding begaat, komt in aanmerking voor een verblijfsverbod van 3 maanden. Degene die binnen een jaar daarna een volgende overtreding begaat komt opnieuw in aanmerking voor een verblijfsverbod van drie maanden.
Het systeem van de APV gaat dus uit van twee stappen. Stap één is de constatering dat in een bepaald gebied de openbare orde zodanig is verstoord, dat de aanwijzing als overlastgebied nodig is. Hierdoor geldt in het gebied een bijzonder regime. Aan personen die in het aangewezen gebied de in het artikel genoemde ordeverstorende feiten plegen, kan vervolgens tijdelijk - oplopend van 24 uur tot 3 maanden - de toegang tot het gebied worden ontzegd.”