ECLI:NL:PHR:2013:1268
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslag en eigendomsrechten op gestolen schilderijen bij rechtshulpverzoek
In deze zaak ging het om het beklag tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die het verzoek tot teruggave van vijf in beslag genomen schilderijen ongegrond verklaarde. De schilderijen waren gestolen en het Noorse rechtshulpverzoek vroeg om teruggave aan de rechtmatige eigenaar. De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering het beslag niet langer vorderde en dat de teruggave aan een ander dan de beslagene mogelijk was, mits die ander als rechthebbende kon worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat de schilderijen van diefstal afkomstig waren en dat de Noorse galerie binnen drie jaar na de diefstal haar eigendom had opgeëist, wat bepalend was voor het voorlopige eigendomsoordeel. De galerie kon echter niet als rechthebbende worden aangemerkt omdat zij niet tijdig een klaagschrift had ingediend en de schilderijen inmiddels door de Noorse autoriteiten waren opgeëist. De goede trouw van de klager als galeriehouder bood geen bescherming tegen teruggave aan de eigenaar.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat klaagde over het betrekken van civielrechtelijke aspecten door de rechtbank, omdat dit slechts een voorlopig oordeel betrof en geen definitieve civielrechtelijke uitspraak. Ook werd het argument dat de galerie de schilderijen niet als eigendom had opgeëist verworpen, omdat het recht niet vereist dat een vordering tot teruggave is ingesteld. De staken van vervolging tegen een verdachte wegens diefstal stond het oordeel over de herkomst van de schilderijen niet in de weg.
Het beroep werd verworpen, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van klager wordt verworpen en het beslag wordt opgeheven ten gunste van de Noorse galerie als rechthebbende.